maandag, mei 19, 2008

KOFFIEDIK ZINGEN - Daniël Dee



ALLE LIEFDE IS GOEDE LIEFDE

We zijn allemaal losers, maar zij die het van zichzelf weten minder dan de anderen. De dichter in Koffiedik zingen is een loser naar mijn hart. Heel vaak gaat het over de liefde; die heerlijke, gemelijke, overweldigende, gecompliceerde, meedogenloze teringliefde. ‘I think that any love is good lovin' / So I took what I could get,’ dit citaat uit de bekendste hit van Bachman-Turner Overdrive zou deze dichter passen als een wollen want. Misschien gelooft hij diep in zijn binnenste wel in de hogere, zuivere en onverdorven liefde, waarbij geloven staat voor voetstoots aannemen, maar in werkelijkheid staat liefde voor zelden winnen, vaak verliezen, allerlei soorten vocht en af en toe een flinke dreun op je kop.

De schitterendste loser is hij die in zichzelf heel hard om zijn loserschap kan lachen. Hij – losers zijn zonder uitzondering altijd mannen – ziet zichzelf als een acteur in een warrig toneelstuk. Iedereen zegt maar wat. Slechte dialogen, overbodige handelingen, te weinig plot. Maar je staat toch maar mooi op de bühne, voor een publiekje. Het liefst van al zou je de zaal ingaan en iedereen een knuffel geven, vragen of ze a.u.b van je willen houden. Maar dan krijg je ineens zin om een paar handgranaten tussen dat kijkvee te mikken. Je weet het eigenlijk niet zo goed. Je wilt nu eens dit en dan weer dat, of soms twee tegenovergestelde dingen tegelijkertijd, en dat terwijl je van jezelf heel zeker weet dat je niet onberekenbaar of wispelturig bent, of lijdt aan de een of andere kortsluiting in je hoofd. Ergens is het fout gelopen: vóór de geboorte, tijdens de geboorte of na de geboorte. Who gives a fuck, het is nu toch te laat.


Ben je altijd al zo'n lieve cynische klootzak geweest? Als je er eens goed over nadenkt, ja, eigenlijk wel. Later kwam daar nog bij: geil, altijd geil. Als voetbal de belangrijkste bijzaak ter wereld is, dan is seks de belangrijkste hoofdzaak. Die eeuwige zoektocht naar mogelijkheden om klaar te komen in of op een vrouw, dat geeft de burger moed. Of ontneemt de burger moed. Objectief gezien weet elke veelspuiter dat ejaculeren zoiets is als niezen, maar dan wel duizend keer prettiger, terwijl niezen al zo prettig is, vooral als je het ongegeneerd doet, met wijd open bek, zonder hand voor de mond, niemand in de buurt, klodders vliegen in het rond.

Je begrijpt niet dat er lieden zijn die doen alsof het niet allemaal doffe ellende is. Kwallen van kerels die met een pretentieuze muil beweren dat ze de rode leidraad des levens hebben gevonden. Van die hufters die hun rolletje echt wel héél goed spelen. Hufters zijn zonder uitzondering altijd mannen. Vrouwen zijn nooit hufters. Vrouwen zijn vrouwen. ‘Ik hou van alle vrouwen, dat is een groot verdriet,’ zong Hans de Booij, waarbij ‘hou van’ ietwat klonk als een synoniem van ‘ook een beetje haten’. Jaloezie. Je kan als man je piemel afhakken, je van boven tot onderen laten verbouwen, maar nooit zal je weten hoe het voelt om een vrouw te zijn. Dat is groot verdriet nummer twee. Hopen maar dat reïncarnatie echt bestaat en dat je terugkomt als een knap ding met curves on all the right places. Liggend als de Noordpool met onder je kont een grote gasbel. Veroverd worden in plaats van te veroveren. Elke natie die naam waardig wil zijn vlag in jou planten. Begeerd worden in plaats van te begeren. Zachtjes opwarmen, langzaam smelten.

Weet je wat de gelukkigste wezens zijn op aarde? Regenwormen. Tweeslachtig. Die neuken zichzelf. Nooit gezeik.

KOFFIEDIK ZINGEN IN 10 CITATEN

ik bezit de formules / om de vier elementen / naar mijn hand te zetten // maar heb geen connectie met niemand / wanneer ik met een nieuwe geliefde uitga / zet ik zelfs nooit onze fietsen met sloten aan elkaar
uit: ‘Wrede grap geen happy end’

ik houd van sanne niet van salsa / sanne houdt van salsa ik zal nooit met haar dansen / en vrijen doe ik met alice
uit ‘Pruttelpolonaise’

wie waren de mannen die hier hun sporen trokken / met hun bokkige zweet hun zaad / en de winden in hun weldadige slaap’ […] ‘het zijn maar piemels / ik vind het toch ook niet erg / als mannen je een hand geven / zelfs als die ongewassen is’ […] ‘het is een voorrecht om op jouw kussen te mogen liggen / al vinden de mij lichaamsvreemde bacteriën dat waarschijnlijk ook
uit: ‘Ballade van de palingworst’

als ik aanhalig ben / dan is dat uitsluitend / uit egoïstische overwegingen
uit: ‘Profiel op rp’

jij vertelt hoe een vriendin / haar vriend al maanden belazert / alsof het dagelijkse kost is / en dat is het ook
uit: ‘Een ansichtkaartje uit wat het paradijs had kunnen worden’

de film is kut / groots en meeslepend / peuter ik in mijn neus tijdens een ongegeneerde gaap
uit: ‘Deze jam wordt nu een last’

en voor ik timemanagement is een manier om het werk / effectiever en efficiënter te laten verlopen kan zeggen is het alweer zondag
uit: ‘Wat een gedoe die dagelijkse routine’

ik heb betere en vooral meer gesprekken met je dan je bloedeigen vrouw / zegt de pedaalemmer op kantoor / wijd en diep jouw liefde is een zee jij een nietige visser / zegt de pedaalemmer op kantoor // dave is de naam van mijn zoon vera van mijn dochter / vandaag wil ik eindelijk jouw echte naam weten / zeg ik tegen de pedaalemmer op kantoor // bel je vrouw dat je later komt noem het overwerk / zegt de pedaalemmer op kantoor ///
‘Koninginnen van de nacht, II’

het transplanteren van een brein bleek uiteindelijk makkelijker dan verwacht / zoals bij elke nieuwe ontdekking achteraf // meer dan een stevige zaag een vaste hand en kalm beleid / is er niet voor nodig // ik ruilde mijn brein tegen dat van mijn hond boris / na drie dagen sprong mijn trouwe viervoeter van een brug
uit ‘Hondenleven’

op de kleuterschool voor het eerst / de klas uitgestuurd – de eerste stap van / wat later een glansrijke carrière bleek – omdat ik / de slappe lach kreeg leendert zei namelijk dat marjolein / een kutkrekel was // marjoleins vader had op zolder van die boekjes met van die plaatjes / en marjolein trok wel eens haar broek naar beneden op de glijbaan / dan ging het stroef en dan piepte het // ik moest in de hoek op de gang / tot ik uitgelachen en hoewel dat vrij snel was / heb ik er de hele dag gestaan uit pure koppigheid
uit ‘Identiteit’

Recensent: Philip Hoorne


Koffiedik zingen - Daniël Dee
Uitgeverij Passage, Groningen, 2007
ISBN 97890 5452 1778 - € 14,95

Labels: ,

|

dinsdag, mei 13, 2008

VIS - Arnoud van Adrichem



Vis is de debuutbundel van Arnoud van Adrichem (1978). Een titel die in samengebaldheid doet denken aan Herman Gorters Mei of Pan. Hebben we hier te maken met een verwijzing naar Christus? De vis staat al van oudsher symbool voor de Verlosser, visser van mensen. Het Griekse woord voor ‘vis’ is ‘ixthus’ en dit is een acrostichon voor Christus: Ieous Xristos Theou Uios Soter – ‘Jezus Christus Gods Zoon Verlosser’.

Een mogelijke andere verklaring is juist een referentie aan de evolutie: de vis staat aan de basis van de evolutie – deze heeft zich ontwikkeld tot reptiel, en dit uiteindelijk weer tot enerzijds zoogdier, anderzijds vogel. In die zin zou de vis zelfs in verband kunnen staan met een primaire, prebewuste ‘pit’ in onze psyche.

Dit op voorhand. Na lezing van de bundel lijkt een andere verklaring plausibeler. Op pagina 20 geeft de dichter ons een aanwijzing: ‘Wij hielden u vissen voor als leidmotief, muntjes in de oceaan.’ De bundel heet Vis simpelweg omdat ‘vissen’ telkens terugkeren in de gedichten, het wemelt in Vis van de vissen.
Waaróm dit zo is, is moeilijker te beantwoorden – misschien omdat vissen doorgaans in grote scholen zwemmen, en voor de mens identiek ogen, zoals het ene muntje niet van het andere te onderscheiden is.

Niet alleen de titel van de bundel als geheel is kort en krachtig, die van de afdelingen zijn dat al evenzeer: ‘Grif’, ‘Hoek’, ‘Knop’, ‘Wreef’, ‘Oogst’, ‘Zand’, ‘Lucht’, ‘Bal’ en ‘Peer’. De gedichten zelf zijn zelfs titelloos; het zijn grote tekstblokken, met brede regels. Wel fungeert de openingsregel, die vaak verhoudingsgewijs opvallend kort is, in veel gevallen als semititel. Vaak betreft het een signaalwoord, een term die de ‘setting’ van een gedicht neerzet, een vraag of een uitroep: ‘Geen bereik?’ (p. 6); ‘Enzovoorts.’ (p. 10); ‘Stel.’ (p. 12); ‘Te laat!’ (p. 13); ‘Waarschuwing:’ (p. 15); ‘Geen geld?’ (p. 20); ‘Kom verder!’ (p. 30); ‘Niets menselijks’ (p. 32); ‘At u?’ (p. 34); ‘Prince!’ (p. 39); ‘Een adempauze.’ (p. 46); ‘Heus.’ (p. 50); ‘Twee partjes.’ (p. 60).

Iets heel anders.
Iedereen weet dat wij geen gewelddadige, opgefokte mensen zijn.
Aan ieder gedicht gaat een ander gedicht vooraf: de bronnen.
Moet u zich er weer mee bemoeien! Hoeveel verwijzingen telt u?
En hoeveel letterlijke citaten? Wij zijn eenzame wolven op kale steppen.
Dorstig delen wij de watervoorraad. De bronnen raken uitgeput.
Geen wonder dat wij onderdak zoeken. Een eigen huis, een plek onder de zon.
Weet iedereen dat wij geweld verafschuwen?
In deze vindplaats herkennen wij ons het meest. Het groene hart met daarin
geplant een vlag: natuur. Wolven eten wolven. (Wel erna tandenpoetsen.)
U bent gezegend met schone ramen, loodrechte bronnen.
Voor uw huis staan fraaie bomen vol met vogels. Wij wortelen waar water stroomt.
Steekt er een bries op? Zij ademt een vleugje dennengeur.

De marges in de bundel lijken me aangepast om dit soort regels (pagina 35) geheel en al op het papier te krijgen: ‘Voor uw huis staan fraaie bomen vol met vogels. Wij wortelen waar water stroomt.’ – dit is één regel (waarop twee zinnen naast elkaar staan).
Daartegenover is de openingsregel vrij kort, en dus geflankeerd door wit.

Opvallend is het gebruik van de wij-vorm, in combinatie met de u-vorm. Met ‘wij’ lijkt in dit gedicht ‘de gemeenschap van dichters’ bedoeld, en met ‘u’ ‘de lezer’ of ‘de criticus’. Van Adrichem hanteert deze vorm door de hele bundel heen, en niet altijd duidt ‘wij’ simpelweg ‘de dichter (en zijn mededichters)’ aan, en ‘u’ ‘de (al dan niet kritische) lezer’. In veel gevallen ondersteunt de wij/u-vorm een retorische poëzie, een poëzie die wil overtuigen en manipuleren (of beter gezegd: een poëzie die verwijst naar methoden van manipulatie, naar ideologie, propaganda, reclame). Ik zal hier later op terugkomen.

In het gedicht richt men zich rechtstreeks tot ‘u’: ‘Hoeveel verwijzingen telt u? / En hoeveel letterlijke citaten?’ Welnu, ik tel ten minste één letterlijk citaat (vergeef me dit pleonasme): ‘Een eigen huis, een plek onder de zon.
Het is geen verwijzing naar de gevleugelde uitspraak van de Duitse staatssecretaris Bernhard von Bülow, in de aanloop naar de Eerste Wereldoorlog: ‘Mit einem Worte: wir wollen niemand in den Schatten stellen, aber wir verlangen auch unseren Platz an der Sonne.’ Deze woorden zijn door de rijkskanselier in een rede in 1897 gebruikt, op een moment dat het imperialistische, expansionistische nieuwe Duitsland stond te briesen en trappelen van ongeduld om zijn rechtmatige deel op te eisen. Door de gebeurtenissen die daarna plaatsvonden, zijn de toch bescheiden-legitiem klinkende woorden (‘we willen niemand in de schaduw stellen’) achteraf in een kwaad daglicht komen te staan.
Maar zoals gezegd, daar is het géén verwijzing naar. Het is een citaat van volkszanger René Froger. Het refrein uit diens nummer-éénhit uit 1989, ‘Alles kan een mens gelukkig maken’, luidt: ‘Een eigen huis, een plek onder de zon. / En altijd iemand in de buurt die van me houden kon. / Toch wou ik dat ik net iets vaker, / iets vaker simpelweg gelukkig was. Oho!’ Heel Nederland zong het mee. Het laatste couplet is een triomf voor de pathologische optimist: ‘Ja alles, alles kan een mens gelukkig maken. / Een zingende merel, de geur van de zee. / Ja alles, alles kan een mens gelukkig maken. / De zon die doorbreekt, een vers kopje thee!’
Nu hoef ik gelukkig niets aan de poëtische kwaliteiten van René Froger af te doen, want hij is, zoals gezegd, een volkszanger. Maar aan een gedicht worden andere eisen gesteld. Esthetische, bijvoorbeeld. En hoe je het ook wendt of keert, het is een lelijke regel: ‘Een eigen huis, een plek onder de zon.’ Ongeacht de context. Ook al maakt hij onderdeel uit van een gedicht, ook al maakt hij onderdeel uit van een mooi of goed gedicht, het blíjft een lelijke regel. Een wanstaltig kitscherig schilderijtje in een stijl- en smaakvol ingerichte woning blíjft een wanstaltig kitscherig schilderijtje.
Natúúrlijk is de regel functioneel: iedere dichter moet ‘zijn plaats’ bepalen, deze verwerven en afbakenen. Niet alleen ten opzichte van de duidelijk ‘andersdichtenden’ maar zeker en vooral ook ten opzichte van zijn meesters, zijn voorgangers en voorbeelden (‘de bronnen’). Waar sta je als dichter? Wat zijn je invloeden, wat is je eigen stem? Dat begrijp ik, dat is de kwestie niet. Maar het blijft een lelijke regel.

Ook in een ander gedicht (pagina 39) wordt gerefereerd aan de ‘lagere cultuur’, de massacultuur, meer in het bijzonder de popmuziek (= populaire muziek):

Prince!
Haar kutje keek u schaapachtig aan maar u en dorst niet blaten.
Van ons mag u dit niet schrijven. Zoiets zegt zich niet.
Nee, zoiets zegt u niet. Maar precies twee toegevouwen
kamelenoren, dat fluwelig geloken rozebruin:
een brandend dinges. Dul en doemwaard? Niet noodzakelijkerwijs.
Typisch voor de meimaand, een smaldeel voor drama;
niettemin een basis, de grondlijn van een driehoek.
Gaat u zeker Messias er weer bij halen: de wonderlijke uitverkiezende
door niets gemotiveerde liefde. (Zo klinkt het als duiven koeren.)


De laatste regel, strikt genomen de laatste zin, is een citaat van popster Prince. Hij is ontleend aan de song ‘When Doves Cry’, van het in 1984 uitgebrachte album Purple Rain, en was een nummer-éénhit in de Verenigde Staten. De laatste regels van het refrein van ‘When Doves Cry’ luiden: ‘This is what it sounds like / when doves cry’. Het betreft dus wederom een letterlijk citaat van een nummer-éénhit uit de jaren tachtig – van een popliedje.

Waar die drang vandaan komt om quotes van lyrics van popliedjes in gedichten op te nemen, is mij een raadsel. Het is tegenwoordig een trend. Het zal wel iets postmoderns zijn. Let ook op de vermenging van registers: het prozaïsche, ja platvloerse ‘kutje’ in één adem met het poëtische, ja archaïsche ‘maar u en dorst niet blaten’ en, iets verderop, ‘dul en doemwaard’.

Naast verwijzingen naar de massacultuur, in het bijzonder de popmuziek, zijn er tal van verwijzingen naar de massamedia, in het bijzonder naar de reclame en uitspraken in verband met televisie-uitzendingen: ‘Waarschuwing: / sommige beelden kunnen jongere kijkers choqueren.’ (p. 15); ‘Snel geld lenen? Vraag naar de voorwaarden.’ (p. 20); ‘(Een probleemhuid? Raadpleeg onze specialist.)’ (p. 22); ‘Leuker kunnen wij het niet maken, / ook niet makkelijker’ (p. 28); ‘Probeer dit niet thuis.’ (p. 30); ‘Wij bieden u de mogelijkheid een beter mens te worden.’ (p. 36); ‘Van hetzelfde model / zijn verschillende versies verkrijgbaar’ (p. 53).

In sommige gevallen (zoals het eerste) betreft het een citaat, in één geval een letterlijke vertaling uit het Engels die sommige tv-programma’s begeleidt, en in een ander geval een variatie op de slogan van de Belastingdienst: ‘Leuker kunnen wij het niet maken, wél makkelijker.’ Het gaat erom dat het allemaal verwijzingen zijn naar de massamedia, hetzij reclameboodschappen, hetzij teksten die een tv-programma met bijvoorbeeld gewelddadige beelden begeleiden.

In die zin is Vis een dichtbundel over manipulatie door de massamedia – over de rol van reclame, over indoctrinatie, over beïnvloeding, over een programma, over propaganda. Niet alleen zijn de gedichten doorsneden door wervende teksten en slogans ontleend aan de reclamewereld, de vorm versterkt deze werking. Er is sprake van een ‘wij’ die zich richt tot een ‘u’ – en ‘wij’ is de vorm die een ideologische beweging hanteert. Om aanhangers te werven richt zij zich tot een ‘u’, zij appelleert aan de sentimenten van een ‘u’. De ‘wij’ stelt zich tegenover een ‘zij’. Dit doet zij middels propaganda, de kunst mensen te manipuleren zodanig dat dezen niet beseffen dat ze gemanipuleerd wórden – anders werkt het niet. ‘Wij’ is ook de vorm van een bedrijf of onderneming (‘wij van Randstad’, ‘wij van Achmea’, ‘wij van ABN/Amro’), van een firma. Ook een onderneming richt zich rechtstreeks tot de potentiële kopers, klanten en cliënten – dat doet zij middels reclame, en ook dát werkt alleen als degene tot wie zij zich richt niet doorheeft dat hij gemanipuleerd wordt.

Misschien valt hier een parallel te trekken met de poëzie van deze bundel: Arnoud van Adrichem lijkt hier en daar zwaar op effectbejag te steunen (op pagina 19 maant hij zichzelf niet voor niets: ‘Het blijft oppassen voor effectbejag.’), en met zijn wij/u-vorm spreekt hij natuurlijk ook rechtstreeks de lezer aan, vanuit een geprojecteerde gemeenschap van dichters. Is zijn poëzie misschien ook een vorm van manipulatie? Van propaganda?

Naast de al genoemde referenties aan ‘de lagere cultuur’ – aan de massacultuur (popmuziek) en de massamedia – komen er in Vis ook veel verwijzingen naar de filmwereld voor, en bij uitbreiding naar voorstellingen, vertoningen, performances: ‘Wij willen emotie zien! Zoom in op de tranen, het wellen, / ietsje dichterbij nog. (Dit wordt de shot van het jaar.)’ (p. 7); ‘een breed publiek / applaudisseert’ (p. 12); ‘Doe maar net alsof wij er niet zijn. (Negeer de camera’s.)’ (p. 14); ‘Die kettingen zijn rekwisieten.’ (p. 14); ‘Onze crew draait nu al dagenlang maar u overleeft het wel.’ (p. 14); ‘Wat toont ons de openingsscène?’ (p. 15) ‘Welkom in ons midden. U was een heerlijk publiek.’ (p. 16); ‘Een oog schuift / voor de camera.’ (p. 25); ‘Accidenteel in beeld: / een hand een microfoon een ketchupfles om te bloeden.)’ (p. 32). Deze verwijzingen naar de cinematografie lijken niet direct inhoudelijk gemotiveerd. De gedichten spelen niet op een filmset. Het zijn – wederom – intertekstuele referenties. Bij nadere beschouwing gaat het om een bepaald type televisieprogramma, vermoed ik: de real-life soap of het docudrama. Bij Patty Brard thuis (24 uur per dag). Bij Frans Bauer thuis (24 uur per dag). Big Brother. De Gouden Kooi. En allerhande sentimentele rotzooi die over ons wordt uitgestort, waarbij het publiek krokodillentranen plengt om andermans leed. Arnoud van Adrichem lijkt te willen zeggen: de wereld ís real-life soap.

Nu zal ik het niet wagen deze poëzie postmodern te noemen (postmoderne dichters hebben niet graag dat je hen labelt, bijvoorbeeld als ‘postmodern’), maar zij heeft wel degelijk postmoderne trekjes.
Vis staat, zoals we zagen, bol van de intertekstuele referenties, met name aan de lagere cultuur: popmuziek, reclameslogans, real-life soap. Er is sprake van een vermenging van deze lagere cultuur met de hogere (de poëzie).
Daarnaast bevat de bundel talloze clichés, kreten en frases: ‘Is dit het einde van de wereld zoals wij die kennen?’ (p. 10); ‘Het is een kwestie van tijd.’ (p. 12); ‘De rest is geschiedenis, is het? Het gaat om het idee.’ (p. 13); ‘Wat u gebeurt kan iedereen overkomen.’ (p. 14); ‘Het blijft een momentopname, natuurlijk. Het wil maar / geen verhaal worden.’ (p. 15); ‘geld maakt geld’ (p. 21); ‘Het moet wel leuk blijven.’ (p. 22); ‘Het eind is zoek.’ (p. 29). En ook hier denk ik: een cliché blíjft een cliché, zelfs al is het ingebed in een (al dan niet goed) gedicht.

Een dichtbundel met postmoderne trekjes zou geen dichtbundel met postmoderne trekjes zijn, als het authenticiteitsvraagstuk niet aan de orde zou worden gesteld. Van Adrichem verzuimt niet. Er zijn veel verwijzingen naar verwijzingen en citaten, maar ook naar gelijkenissen, imitaties en kopieën: ‘Einde citaat.’ (p. 8); ‘Kinderen kopiëren kinderen’ (p. 15); ‘Plagiaat is het mooiste woord dat u kent. (Een woord met karakter.)’ (p. 16); ‘Tieners imiteren Japanners.’ (p. 19); ‘Ander woord voor synoniem? Iedereen houdt van tweelingen, nemen we aan.’ (p. 21); ‘Urenlang stond u bij de repro vissen te kopiëren, water te maken.’ (p. 24); ‘U lijkt op iemand.’ (p. 25); ‘(Waar was u toen de tweelingtorens / elkaar in de armen vielen, de hemel wit wegtrok?)’ (p. 28); ‘Onze experts stellen u mist een gelijkenis’ (p. 44); ‘Het lichaam valt samen met zijn omtrek, de zee kopieert golven.’ (p. 46); ‘Wij zijn de enigen niet bij wie het gezicht inbrandt, uitdooft / in het schijnsel van een kopieerapparaat.’ (p. 50); ‘Niemand kan zo lang over het noorden nadenken, vel na vel, / verbleken bij zijn laatste kopie.’ (p. 50); ‘Repeteerbewegingen, herhaaltoetsen’ (p. 53); ‘Liever geen definities. Maar de herhaling, die eindeloze / ruimte na een woord als enzovoorts.’ (p. 53).

Niet alleen is de formulering ‘Ander woord voor synoniem?’ een aardige vondst, synoniemen zíjn inderdaad ‘tweelingen’, twee-eiigige tweelingen om precies te zijn; de Twin Towers zijn identieke torens, eeneiige tweelingen.

Hiermee rijst de vraag of de postmoderne mens wel een identiteit hééft. Niet voor niets schrijft Van Adrichem: ‘U moet nog wel een identiteit aanmaken. / Dat kan door hier te klikken – of hier.’ De mens hééft geen identiteit, geen oorspronkelijke particuliere (authentieke) persoonlijkheid, maar verwerft zich een instant identiteit, een algemeen toegankelijke geprefabriceerde identiteit, door een druk op de knop. Door er een te downloaden. Een vrij willekeurige op de koop toe.

Misschien ook dáárom vissen als leidmotief. Vissen líjken op het eerste gezicht dan wel identiek, ze zijn het niet, en zij kampen niet met een authenticiteitsvraagstuk, een identiteitsprobleem – of, zoals op pagina 23 te lezen valt: ‘Vissen existeren.’ Op de volgende pagina wordt deze formulering herhaald (maar dan met gebruikmaking van een synoniem!, een twee-eiige tweeling): ‘Vissen bestaan, ze leven onder water, maar soms stijgen ze op / als gedachten, hun laatste adembellen achterna.’ En niet alleen vissen – ‘Spinnen existeren, hun draden.’ (p. 32). Het staat er heel nadrukkelijk, en daardoor wordt iets anders geïmpliceerd of gesuggereerd.

Hoewel uiterst primitieve dieren, bestaan vissen en spinnen, in tegenstelling tot de complexe postmoderne mens, wel degelijk.

Recensent: Willem Thies

Vis - Arnoud van Adrichem
Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen, 2008
ISBN 978 90 254 1877 9 - € 19,95

Labels: ,

|

dinsdag, mei 06, 2008

HET IS HIER ALTIJD LAAT VAN LICHT - Adriaan Jaeggi



In 2006 werd Adriaan Jaeggi door stadsdeel Centrum Amsterdam benoemd tot stadsdeeldichter. De stadsdeeldichter was een soort stadsdichter, maar dan niet voor de hele stad maar voor slechts een deel ervan. In Het is hier altijd laat van licht zijn de gedichten opgenomen die Jaeggi voor zijn stadsdeel schreef. Eerder werd de bundel aangekondigd onder de titel De ijskap van Groenland.

Een hardnekkig vooroordeel met betrekking tot stads(deel)dichters is dat ze immer vrolijke gelegenheidsgedichten moeten schrijven. Het tegendeel is eerder het geval: in dit gidsland van vrijheid van meningsuiting mogen ze schrijven wat ze willen. Het merendeel der colleges van B en W’s verwacht juist dat ze dat doen. Om welke andere reden immers zou je een professional inhuren als je hele kantoren vol ambtenaren tot je beschikking hebt, waarvan er een aantal op 5 of 6 december herhaaldelijk leuk uit de bus weet te komen? Stadsdichters worden vooral niet geacht zich ter meerdere glorie van een stad te verliezen in allerlei causerieën die niets van doen hebben met de poëzie zoals ze die gewend zijn te schrijven. Het enige wat ze wel moeten doen, is hun gedichten voordragen bij huldigingen, manifestaties en openingen die worden georganiseerd door de stad die ze benoemd heeft. En dat is een buitenkansje, want het voordeel van dergelijke gelegenheden is dat er vaak veel mensen op afkomen. De stadsdichter krijgt dan, als een heuse missionaris van het ware geloof, de kans om een groot publiek enkele voordrachten uit eigen werk in de maag te splitsen en ze daarmee te overtuigen van de waarde van poëzie. Je reinste vorm van doelgroepvergroting. Er staan er altijd een paar tussen die ineens het licht zien.

Adriaan Jaeggi was duidelijk van plan om behoorlijk wat zieltjes te winnen voor de schone letteren. Zijn stadsdeelgedichten lijken in de meeste gevallen op echte Jaeggi-gedichten; geen moeilijkdoenerij, af en toe een kwinkslag en soms zelfs een vleugje engagement. In het luchtige parlando dat ook in zijn eerdere bundels doorklonk laat Jaeggi zijn licht schijnen op gebeurtenissen binnen en buiten de grachtengordel. Soms levert dat een memorabel gedicht op. Vaak ook is het resultaat het soort wegwerppoëzie waarvan je je afvraagt of die wel losgelaten had moeten worden op argeloze, ongeletterde voorbijgangers, maar die zeker niet geschikt is om te worden opgenomen in een bundel. Zo kan ik het ook, moet het publiek dan gedacht hebben. Bijvoorbeeld bij het gedicht ‘Vaas’ (blz. 22):

Gekken en dwazen
schrijven hun namen
op deuren en vazen

Ook ik
kan de verleiding niet weerstaan
en teken hier – uit naam
van sponsoring en betrokkenheid –
blozend van genot
mijn goedkope naam


Jaeggi schreef dit voor de Stadsspelen 2006. Deze Stadsspelen waren een initiatief van ‘Amsterdammers die allemaal vinden dat het hoog tijd is voor meer positieve interactie in de stad’ aldus de begeleidende tekst. De stadsdeeldichter had er blijkens het gedicht zelf moeite mee om zich onomwonden aan die positieve interactie over te geven. Zijn poëtische daad werd verricht ‘uit naam / van sponsoring en betrokkenheid’. De reactie van een lid van de organisatie op het gedicht was ook niet uitgesproken positief. Hij opperde ‘dat de regel ‘mijn goedkope naam’ wellicht veranderd zou kunnen worden in ‘des stadsdichters naam’’. Gelukkig ging dit niet door en werden er aan de stadsdeeldichter excuses aangeboden. Veel geharrewar over en weer en ik geef toe: hier krijgt het metier meerwaarde. Bij een feestje waarbij meer positieve interactie wordt bepleit, komt de stadsdeeldichter met een ironisch tekstje dat een beetje ophef veroorzaakt en aanleiding geeft tot het maken van verontschuldigingen. Interactie? Tot je dienst. Positief? Vergeet het maar. Alleen jammer dat het gedicht zo’n bleek stiefkindje is geworden: zo’n opening waarin drie regels worden gespendeerd aan een flauwig verbasterd gezegde, is wat al te gemakkelijk naar mijn smaak. De zin die erop volgt en verspreid wordt over zes regels doet ook weinig bellen rinkelen.

Minder grappig nog is Jaeggi als hij grappig probeert te zijn. Neem bijvoorbeeld het gedicht ‘Handleiding’ (blz. 25), geschreven voor de opening van de Week van de Poëzie 2006.

Hartelijk gefeliciteerd met de aanschaf van uw
dichter.
Uw dichter is plug & play.
De verpakking kan gerecycled worden.
Uw dichter is van het vorige model.
Hij kan aan maar niet meer uit.
[…]


Et cetera, et cetera. Uit het bijgaande tekstje wordt duidelijk dat het gedicht voor tachtig belangstellenden werd voorgelezen in de Openbare Bibliotheek Amsterdam. Deze pastiche op een handleiding moet de gedachten bij het publiek hebben doen afdwalen naar die laatste schooldag, die bruiloft of dat jubileumfeest tijdens welke Lolbroek B de handen op elkaar kreeg met zijn leuke stukje. Een ander voorbeeld: ‘Lente in december’ (blz. 30). Bij de Stadsdichtersavond van 12 december 2006 zaten er zes mensen in het Parool-theater, inclusief het personeel van de zaal. Adriaan Jaeggi had voor deze gelegenheid een sonnetachtig gedicht geschreven dat de thuisblijvers gelijk gaf. Andere aanwezige stadsdichters waren Arjan Hut uit Leeuwarden en George Moorman uit Haarlem. Ik hoop dat Jaeggi’s gasten die avond voldoende consumptiebonnen hebben gekregen. Ze werden getrakteerd op een regel als ‘Maar onze burgemeester is de beste!’ en op het terzet:

’t Is als een snoer waaraan geen enkel lampje stuk is.
Daarom kun je soms zo mateloos verlangen
naar de eerste echte winter van de eeuw.


Als dichter is Jaeggi op zijn best als hij zijn Amsterdamse joligheid laat varen. Dat doet hij bijvoorbeeld in ‘Het hoogste punt’ (blz. 28). Het werd geschreven ‘ter viering van het bereiken van het hoogste punt van de nieuwe Openbare Bibliotheek Amsterdam’ aldus de verklarende tekst. De onbedoelde suggestie dat het hier zou gaan om buildering of urbanning wordt door de dichter welbewust uitgewerkt in een liefdesgedicht compleet met verwijzing naar de klassieken en erotische lading. Hier staan regels die het stadsdeeldichterschap los van die gelegenheid op 28 juni 2006 zouden kunnen overleven:

Er is een plaats vlak bij de top
waar ik met jou wil zijn. Niet om
het uitzicht of de vlaggen
of de klimmers die hun kop
volzuigen met mijn zuurstof

maar om het uitstel van de laatste
stap. Er is geen plaats daar verderop,
er is een afdaling. Dus neem mijn hand,
ga met mij mee de zangberg op
en hou me tegen voor de top.

Meerdere keren verplaatst de dichter zich in de ander. Zo kruipt hij in ‘Ode aan een nachtegaal’ (blz. 29) in de huid van zij die martelen ‘in naam van de vrijheid’. De redactie van het televisieprogramma Buitenhof had Jaeggi gevraagd een politiek gedicht te schrijven:

Ineens stopte hij met praten.
Hij bezat informatie die onschuldige levens kon
redden
Dus waren wij gedwongen
Nieuwe procedures toe te passen.
Na toepassing van de
Nieuwe procedures begon hij te zingen.
Als een nachtegaal. Hij liep blauw aan
En werd zacht in het midden
[…]

Na dit gedicht over deze blauw aanlopende nachtegaal moeten de mensen in het land zich toch achter de oren gekrabd hebben met de gedachte: potjandoppie, inderdaad, dat kan toch niet langer zo, al dat gemartel in de wereld. Vooral de laatste regel van het gedicht zal velen hebben doen besluiten het belasting betalen voorgoed te staken: ‘Dit was onmogelijk geweest zonder jullie steun.’ Ja, ja, dat hakt erin.

In ‘Melding van absentie’ (blz. 35) leeft de dichter zich vervolgens in in het personeel van een Amsterdams verzorgingstehuis. De heer Koopman was daar overleden en nu kon wegens onderbezetting niemand van het personeel dat hem de laatste negen jaar verzorgde bij de uitvaart aanwezig zijn. Gelukkig was er de stadsdeeldichter die zijn verzen paraat bleek te hebben:

Het spijt ons erg dat wij er niet bij kunnen zijn.
Maar u weet zelf hoe het is op donderdag,
met de intakegesprekken met nieuwe bewoners
en mevrouw P. is gisteren gevallen
dus die moet naar de wc worden gereden
en vind daar maar mensen voor.


Jaeggi schreef dit gedicht op verzoek van dichter F. Starik, de organisator van de zogenoemde eenzame uitvaart in Amsterdam. Starik had er in 2002 lucht van gekregen dat Bart FM Droog, als stadsdichter van Groningen, besloten had uitvaarten te bezoeken waar niemand anders zou komen. Namens de stad verlichtte hij de eenzame uitvaarten met een gedicht. Starik vond het een ontroerende gedachte en vroeg een aantal Amsterdamse dichters toe te treden tot de Poule des Doods om hetzelfde te gaan doen. Beurtelings schrijven ze nu gedichten die ze voordragen bij uitvaarten van gemeentewege. In Het is hier altijd laat van licht nam Jaeggi nog twee andere gedichten op voor de eenzame doden. Vooral ‘Tweeëntwintig februari’ (blz. 24) springt in het oog. Hier slaagt Jaeggi erin om met zijn doordeweekse manier van formuleren een mooi in memoriam te schrijven voor een mevrouw die hij niet heeft gekend. Dat ze stierf op haar verjaardag deed Jaeggi noteren:

Een samenloop, een toeval dat je
gelukkig noemen kunnen zou –
want na verloop van tijd bestaan wij
nog enkel maar uit data,
geboorte, huwelijk, dood.


Het is een les die je leert als je gedichten gaat schrijven voor eenzame uitvaarten: dat er weinig van een mens overblijft als hij het tijdelijke voor het eeuwige heeft verwisseld.

De gedichten in Het is hier altijd laat van licht lezende krijg ik het gevoel dat Adriaan Jaeggi meer uit zijn stadsdeeldichterschap had kunnen halen. Dat is wellicht ook een gevolg van het feit dat ik geen van de gelegenheden waarbij ze werden voorgedragen heb meegemaakt. Jaeggi schreef geen saaie gelegenheidsversjes, dat moet gezegd, maar op papier lijken sommige gedichten toch wel heel haastig in elkaar te zijn gezet. En bij andere wordt zeker te lang voortgeborduurd op die ene leuke vondst. De toestand in de wereld wordt er nu en dan met de haren bijgesleept om wat gewicht in de schaal te leggen. Al met al heeft het te weinig opgeleverd voor een echt boeiende bundel.

Recensent: Ronald Ohlsen

Het is hier altijd laat van licht; Amsterdamse stadsgedichten – Adriaan Jaeggi
Nieuw Amsterdam Uitgevers, Amsterdam 2006
ISBN 978 90 468 0365 3 - € 14,90

Labels: ,

|

maandag, april 28, 2008

WAAROP DE KLOK ONTWAAKT - Kurt De Boodt



Waarop de klok ontwaakt! is de vierde bundel van Kurt De Boodt. Wereldbibliotheek is zijn derde uitgever. Bij deze bundel is zowel een cd als een dvd verkrijgbaar. Op beide schijfjes hoor je De Boodt bij aanstekelijke muziek zijn gedichten voorlezen. Op de dvd zie je op een zwart scherm de woorden en de letters vrolijk en in de maat voorbij scheren. De levendigheid van die woordanimatie, de beat van de muziek, het ritmisch articuleren van de dichter (de manier waarop hij de lange a- uitspreekt is memorabel) laten een energieke indruk achter. Die indruk heb je ook bij het lezen van de bundel: hij bruist, hij borrelt, hij stoot, hij stuwt, hij raast. Met de eerste drie gedichten uit de openingscyclus (waarvan ik hier de eerste twee overneem) is het meteen prijs, meteen onweerstaanbaar feest.

HET NIEUWE BEGIN

1.

Genoeg!

Elk moment kan het / kon het
gaan / ging het op het punt
staan / stond het voor de deur /
klopte aan / zat het te komen /
kwam er op aan / valt aan / breekt aan
is het gedaan met beginnen

moest het maar eens gedaan zijn

kom aan
vang aan
in suspensenaam
doe iets

laat het nu gebeuren.

2.

Neem nu letters
stop ze in een hoge hoed
schud en trek
hoor hoe hielen adem tappen

zwarte regen op witte negers gedans en geren in taal
plassen vol opspattende woorden cellen en grepen splijten
o wat een pret met uppers en downers ogen stokken en staarten
over schreven springen glorieus bloed van tongen wassen
hakken klakken zinnen strikken hielen likken tekstlakken lijklooien
zingt stapt stampt hapt toe laat het in levensnaam

regeneregen
eregenere
genereg
enere
gen

De toon is gezet. De motor van de taal kan op volle toeren gaan draaien: de taal gaat zichzelf, en de lezer, en het gedicht, regenereren - de taal zal gaan regeren. In het gedicht ‘Manifest’ maakt de dichter zijn poëticale ambities duidelijk:

De kunst is in beweging blijven
Alles willen tegelijk en wel nu
,

want

al wat leeft en beweegt komt uit
bij werkelijkheid
.

Museum uit, de wereld in / de ware, die onder je voeten schreef De Boodt in zijn vorige bundel Anselmus (2004) (en door één van de gedichten in Waarop de klok ontwaakt ‘Anselmus’ te noemen, lijkt hij de consequente samenhang en de continuïteit van zijn poëtische werk te beklemtonen). In deze bundel werkt hij dit gegeven (museum - of gedicht - versus wereld) verder uit. De dichter wil onbevooroordeeld de werkelijkheid binnenstappen: geen poëtisch virtuele maar de ware, die van onder onze voeten. In de werkelijkheid staan, is volgens hem in beweging blijven. Actie. Kunst, poëzie brengt leven tot beweging, brengt leven in de brouwerij, stimuleert tot expliciete dadendrang. Kunst draait mee met de werkelijkheid en vice versa. Maar het gebeurt snel. Het vraagt om snelle verwoordingen, zo snel dat de zinsbouw bijna nauwelijks meekan. Alles tegelijk is veel, te veel voor een zin: er is geen tijd om leestekens te plaatsen. (Het nu – want daar gaat het om – is niet bij te houden.) Veel simultaans durft de zin niet aan. Daar maalt de dichter niet om en trekt in één haal een taalspoor van lawaai en haast. Veel kans om adem te halen hebben we niet. Dit is geen poëzie voor kortademigen. Er gebeurt zoveel, zelfs als er niets gebeurt en het gebeurt allemaal tegelijkertijd – ‘Simultaan stadsgedicht’:

Volmaakt synchroon klepperen hartkleppen gonzen
bloedbanen grommen organen spinnen snorhanen
hamert de keukenklok zeurt het vriesvak energie weg
ontsteekt een druppel tussen kraan en zink crashen vliegen
krast 747 sporen in blauw licht klapt het kattenluik dicht
klop ik buurjongens kop tegen muur op huiselijk beats
Hoor! zoveel herrie geschikt in één onontwarbaar ogenblik.

Ja, inderdaad veel herrie staat er in deze gedichten geschikt. De stilte van vier bundels geleden vinden we er niet meer in terug. Ze vibreren, zoals gezegd, van dadendrang. De dichter laat het ons in de eerste cyclus ‘En avant’ duidelijk horen en klinken. Vooruit met de geit: geen woorden maar ‘dadadaden’ is de Boodtschap. De (oer)verwijzing naar Kurt (Kurt Schwitters) is dan ook wel voor de hand liggend. Binnen de hele bundel liggen er sonore vrijplaatsen verspreid waarin klank, woord, neologismen en exclamaties hun soms typografische weg gaan. Een greep uit het aanbod: Meuh! A! Knak! Haha. Boem!Wauw! Grauw! Rhaaauw! O’s en oe’s en a’s!

De Boodt heeft een eclectisch talent: hij laat genres en stijlen de degens kruisen. Het lijkt overigens alsof hij zich creatief wil herbronnen. Hij grijpt terug naar wat er zich op het eind van de negentiende en aan het begin van de twintigste eeuw aan artistieke baldadigheid voordeed: Ensor, dada, het (Russische) futurisme, Van Ostaijen (hij varieert constant op ‘Vers 6’ ‘ik wil naakt zijn en beginnen’) ... Dit kan bij eerste lectuur wat vreemd aandoen. Een gedicht de titel ‘Manifest’ meegeven of een cyclus ‘De nieuwe mens’ dopen, is een beetje met vuur spelen omdat het totaal uit de tijd lijkt. Worden hier oude, achterhaalde verhalen bovengehaald? Nee, deze poëzie heeft niets nostalgisch. Wat zoekt De Boodt in het avantgardisme? Wat heeft het hem nog te bieden? Het is wellicht het inventieve, het prille, het risico, het brio, het provocerende, het rebelse, het uithoudingsvermogen, het speelse die hem erin aanspreken. Kortom: dat wat het leven in zijn dynamiek betrapt. Een klakkeloze terugkeer ligt niet in zijn bedoelingen. Zo dom is hij niet dat hij het een en ander onvoorwaardelijk en/of absoluut zou willen stellen. Of dat hij een ideologische richting zou uitvaren. Daarvoor is hij een beetje te laat geboren in de twintigste eeuw. Scepsis krijgt hier een plaats. De Boodt blijft voldoende op zijn hoede voor voorhoede. Zo staat het geschreven in het eerste gedicht (‘Hoede’) van de tweede cyclus ‘Akelig voorgevoel’ waarin rekruut K het puin van de eeuw in ogenschouw neemt:

Rekruut K blijft op post
schouwt het nasmeulend puin
graaft zich achterdochtig in.


Ook later, als K tot ‘captain’ en tot ‘kolonel’ promoveert (de tijd marcheert op militaire wijze voorbij en doet dit even snel als het nu) blijft dat akelig voorgevoel smeulen. Dit driedelig gedicht eindigt met de regel:

o! boeket! de laatste mens is een kunstwerk

De achterdocht neemt in de bundel evenwel nooit de overhand. Tussen de regels vertoont achterdocht zich wel eens in de vorm van een lichte frivole ironie, in de vorm van een twinkelend taalspel. Twinkelend: want soms drukt De Boodt zich in kinder- en aftelrijmpjes uit, terwijl hij eigenlijk wreedaardige dingen vertelt. In de derde cyclus ‘Berichten uit Nergensland’ staan gedichten waarin hij in dialoog gaat met collega dichters (Van Tongele, Lauweryns...) Het gedicht ‘Naar Nergensland’, vrij naar Peter Holvoet-Hanssen, lijkt een onschuldig, luchtig ding, maar het kwaad sluimert, de wreedheid slaat erin toe, terwijl de dichter in tussentijd de lezer naar tekenfilmpjes van Peter Pan en Kapitein Haak, Woody en Speedy, Stan Laurel en Oliver Hardy, Tom en Jerry laat kijken. Maar het loopt uit in een waar theâtre de la cruauté, zeg maar een ontmanning:

Tinkel winkel cirkel zap!
Geeuw van de leeuw & hap.

Oogjes aan de graaihaak
klootjes in het zand.


The tempest kan dus hard in deze gedichten waaien. Erbarme dich citeert, smeekt de dichter in ‘Anselmus’. Maar defaitisme is De Boodt vreemd. Integendeel. Een terugkerend motief in deze bundel is de notie van ‘het begin’. In andere bundels van De Boodt trof men dit ook al aan. De begrippen ‘begin’ en ‘einde’ (of ‘gedaan maken’) speelt hij subtiel tegenover elkaar uit. Hij speelt er een spelletje ‘dialectiek’ mee. Lees maar:

elk nieuw begin trapt een nieuw einde in
elk nieuw einde hoedt het nieuwe begin


Deze woorden brachten me enkele verzen uit de ‘Four quartets’ van Eliot in herinnering: ‘What we call the beginning is often the end/And to make an end is to make a beginning.’

Het lijkt gelijklopend maar het is helemaal verschillend. De (overigens magnifiek) elegisch slepende ondertoon, het onomkeerbare dorre en rigide van Eliot vinden we bij De Boodt niet terug. Er is bij De Boodt veeleer het omgekeerde aan de gang. Deze dichter nodigt uit tot flexibiliteit, tot voortdurend ontwaken. Tot renaissance. Gedicht na gedicht: steeds weer herbeginnen, het nu laten (re)genereren, tot handeling overgaan:

Rijs goddomme op!

Het nu wordt als continuüm ervaren:

Vandaag hou ik niet op met beginnen.

Het motief van de ‘geboorte’ is iets dat blijkbaar vaker in het werk van De Boodt opduikt. In de mooie cyclus ‘Het begin van de wereld’ uit de bundel ‘Moules Belges’ (2002) spreekt hij in negen gedichten een embryo aan. Letterlijk en figuurlijk: je kunt het lezen als een soort belijdenis/bezwering bij een kind dat nog geboren moet worden of o.m. als een allegorie dat de genese van een gedicht tot thema heeft. In Waarop de klok ontwaakt vinden we dit thema terug in het gedicht ‘Renaissance’ en in enkele gedichten uit de vierde cyclus ‘De nieuwe mens’. Deze cyclus is een prachtige finale: veertien gedichten waarvan de eerste regels op het einde een heus sonnet gaan vormen. Alle motieven uit deze bundel komen hier elkaar tegen. Het energieke, het explosieve, de kracht van het vluchtige, de uithouding (er staat een heus wielrennersgedicht te lezen), de prestatie, de krachttoer, de doortastendheid van het dichtertje:

(...) het waarachtige ach
prachtige o zo daadkrachtige wezentje


De Boodt is een eigentijds dichter met een breed en eigentijds woordveld. De actuele wereld is in deze gedichten extra aanwezig. We vinden die in de vorm van vele en zeer verschillende reminiscenties terug, die bijvoorbeeld van Arthur Rimbaud (‘Men hoort eigentijds te zijn’) tot de Britse komiek Benny Hill gaan. Maar ook in het naar het technologische (pc-taal, games) verwijzend taalgebruik.

De Boodt is een dichter die, desondanks alles, de zoektocht naar waarachtigheid voorop blijft stellen. Hij laat het gedicht met veel lef over zichzelf zeggen:

ik ben schoon en machtig!
ik ben kolosachtig!
ik ben uniek!
ik ben!
ik!


Maar er is ironie in de buurt. De relativiteit van die zoektocht ziet hij in, mits een subtiel en snijdend enjambementje (‘... het waarachtige ach’). Maar het gaat nooit ten koste van gedrevenheid. De kracht van deze poëzie is haar luchtigheid, in de zin van verve. De poëzie blijft bij De Boodt haar droomapparatuur bewaren en verdragen.

Dit is verre van een saaie bundel. Er staat meer in dan wat ik hier probeer te beschrijven. En laat het nu maar eens met deze recensie gedaan zijn: lezer, laat de lectuur ervan toe en laat het nu gebeuren. Hop! Hop!

10.

Apparaten om op een mooie dag
niet uit te wissen veeleer bij te stiften
al te kleine dikke grijze schaamrode zones.

Om levens op te liften tot stil stemmende vergezichten
Wonen wij waar het warenhuis het uitzicht ontneemt?

Om te replayen wat de moeite loont
door te spoelen wat zeurend spookt
Stay put! te stillen wat spijt besproeit.

Om b.v. mijn rechterarm niet bibberend maar filmheldgalant
In slowmotion om je hals te lussen rond een ademloze kus.

Om ontzettend de juiste woorden
te vinden apart en innemend praten
- niet hakkelend – ovaties te laten duren
en duren.

Om te zien dat het goed was / beter kan
het nog een keer te willen
Overdoen.

Recensent: Alain Delmotte

Waarop de klok ontwaakt - Kurt De Boodt
Wereldbibliotheek - Amsterdam, 2008
ISBN 978 90 28422353 - € 15,90

Labels: ,

|

woensdag, april 16, 2008

DE AFSTAND - Wiljan van den Akker



Wiljan van den Akker (1954) is als hoogleraar Moderne Nederlandse Letterkunde aan de Universiteit van Utrecht verbonden. Hij schreef veel over poëzie. Met De afstand debuteert hij als dichter.

De afstand is in tal van opzichten een ‘serieus’ dichtwerk: het heeft een weloverwogen compositie, die uiteenvalt in zeven afdelingen, waarbij de gedichten van de eerste afdeling kruislings gepaard zijn aan die van de laatste – de eerste bestaat respectievelijk uit ‘De boomgrens I’, ‘Wat nou I’, ‘Cruiseschip “Dante” I’, ‘Zomaar I’ en ‘Omzien I’, de laatste uit ‘Omzien II’, ‘Zomaar II’, ‘Cruiseschip “Dante” II’, ‘Wat nou II’ en ‘De boomgrens II’. De auteur heeft ontegenzeggelijk een eigen stem en idioom, en de gedichten vormen een sterke eenheid, zowel in stilistisch als thematisch opzicht. Er zijn tal van motieven: blijven versus vertrekken, verschijnen versus verdwijnen, crematie en begrafenis, verwaarlozing versus onderhoud, bederf en verval, de vergankelijkheid van het vlees, verwondering, uitzicht, een zondvloed en een ark, en het vinden of creëren van een nieuwe wereld – deze laatste motieven spelen met name in de voorlaatste afdeling, ‘Reconstructie’, een grote rol. Tot zover is het allemaal prima in orde.

Maar er is in deze bundel veel wat mij irriteert. Wiljan van den Akker heeft de neiging omslachtig en breedsprakig te formuleren. Hij schrijft te lange, complexe zinnen, met te veel bijzinnen en voorzetsels, gebruikt te veel woorden, veel woorden en regels zijn ronduit redundant.
Ik citeer uit het gedicht ‘Lasterpraat’: ‘Als alles // bedekt is met mantels der liefde over het vest / over de blubberbuik is het tijd om in de stad / met het gat in de hand de aaigrage koopzieke // praatjesmaker uit te gaan hangen. Tegen de avond / laat ze wat eerder afgeslacht werd weer opgewekt / rondlopen met geintjes en glazen om het gat // van de angst op te vullen: het dagelijks naderend / nachtslot waarin het nageslacht aan haar bed staat / hoort met de handen voor de ogen wat het ziet // met de vingers in de oren en zwijgt terwijl het mes / zich een weg baant naar een drijfnat ontwaken / waarin ze gewogen te zwaar wordt bevonden.’
Ik citeer het volledige gedicht ‘Een benige vinger’: ‘Dit raamwerk van vleesloze middenvoetsbeentjes ribben / en kaken onder een schedel met ogen en oren als gaten / schuifelt hier telkens voorbij in een kostbaar kostuum / over de knokige leden als een veel te ruim vel / want wie zo krap is van geest maakt brede gebaren / net zo breed als de rand van die hoed boven de lijzige jas / waarin de ijzige hand zich verbergt met de benige vinger / die hij heft tegen alles wat zich even naar boven beweegt.’ Een gedicht bestaand uit één zin, die elf voorzetsels bevat.
Ik citeer ten slotte uit het gedicht ‘Zo en niet anders’: ‘Ooit had het zich heerlijk om hen heen geplooid / hadden ze het in een orde gebracht die van logische / toevalligheden aan elkaar was gaan hangen // waardoor er langzamerhand een noodzakelijkheid / was gegroeid die verplaatsing bijvoorbeeld hoogst / onplezierig en daardoor onwaarschijnlijk maakte // zoals een sierlijke bank onhandig in een veel / te smalle gang of een spiegel die weerkaatste / wat met het blote niet waarneembaar was // omdat ze niet zagen aankomen dat ze jaren / geleden zouden vertrekken en al hun huisraad / achterlaten en tot nader orde verbranden.’ Eén zin, die zeven bijzinnen bevat, met in drie gevallen zelfs een bijzin ín een bijzin.


Het mag allemaal gecomprimeerder, geserreerder én suggestiever. ‘Dichter’. Less is more.
In sommige gedichten doet de stijl van Van den Akker wel aan die van een politicus denken.

Over de rand

II

het mag allemaal gewoon doorgaan ook na ons
vinden we blijven er nog meer dan genoeg
verhalen te verzinnen met een zekere afloop
we zijn toch niet van plan zorgelijk te doen
over zaken die we waarschijnlijk nooit zullen
weten eenvoudig omdat we er onvoldoende
verstand van hebben om er iets fatsoenlijks
van te maken anders dan een leeg gestamel
over het na-ijleffect van wat mogelijk lichtjaren
van ons vandaan ontferming zou kunnen heten
in een wereld waarin we zelf het restant zijn
van een korte onnavolgbare val over de rand.

Hier voel ik me als lezer belazerd. Van den Akker zegt heel veel en tegelijk heel weinig, als een politicus die weigert concrete uitspraken te doen en er daarom maar eloquent omheen lult: ‘met een zekere afloop’, ‘zaken die we waarschijnlijk nooit zullen weten’, ‘een leeg gestamel over het na-ijleffect van wat mogelijk lichtjaren van ons vandaan ontferming zou kunnen heten (cursiveringen van mij). De dichter houdt voortdurend een slag om de arm, naast de term ‘mogelijk’ gebruikt hij ook nog eens de subjunctivus, waardoor hij alles wel erg in het vage houdt. Het is het discours van de diplomaat, de poëzie van de politicus, na wiens toespraak ik mij met lege handen voel staan.
In andere gevallen is Van den Akker niet vaag, maar spelt hij alles juist al te zeer uit: ‘(ik) snoei met knotgrage vingers’ (‘Al dat gedoe’); ‘is het tijd om met het gat in de hand de aaigrage koopzieke praatjesmaker uit te gaan hangen’ (‘Lasterpraat’); ‘de lamp weer eens leeg is zodat je op de tast in het donker de klamme caravan binnen komt struikelen’ (‘Willekeur’); ‘als rook achter de schermen zou verdwijnen’ (‘Te veel as’); ‘een waanzinnige stomdronken schilder een kwast had gepakt en met een kleur tekeer was gegaan als een dolle’ (‘Vaart maken’). Is Van den Akker in het ene geval vaag, in het andere juist al te expliciet, de kritiek is in essentie dezelfde – hij gebruikt te veel woorden.
Na lezing van ‘Cruiseschip “Dante” I’ bekroop mij de gedachte dat de dichter er een synoniemenwoordenboek op heeft nageslagen: beschreven wordt hoe een gehandschoende hand van een dame in avondjurk sierlijk op weg gaat naar het zeebanket, terwijl haar andere hand een elegant, afwijzend gebaar maakt jegens een heer die avances maakt, waarna haar gracieuze gestalte hem met de eerste hand oesters voert. Hier is sprake van redundant woordgebruik: sierlijk én elegant én gracieus – drie woorden die nagenoeg hetzelfde betekenen.


Wanneer Van den Akker een sfeer van bederf en verval en misère wil oproepen, zet hij deze wel erg zwaar aan. Ik citeer uit het gedicht ‘Willekeur’ (I, II en III): ‘restjes ranzige boter’, ‘ruik je korstjes kaas randjes achtergebleven schouderham fliedertjes aardbeienjam een verzuurde halfvolle plastic melkbeker’, ‘een verschrompelde perzik’, ‘een druilende regen’, ‘het vest en de trui in de voortent verzuurd zijn’, ‘ladingen nutteloos maandverband en eetwaar die allang over tijd is’, ‘een bedompt bed’, ‘wanhopig verstrikt’, ‘oud brood’, ‘die ranzige fietstas’. Dit gedicht is wel érg doordrenkt van ellende en bederf. Van den Akker gebruikt overigens door de hele bundel heen vijf keer het woord ‘ranzige’, soms in oneigenlijke, ‘studentikoze’ zin.
Waar ‘het wonder’ wordt beschreven, wordt dit niet aanschouwelijk gemaakt, maar uitdrukkelijk benoemd: ‘en staarden verwonderd naar wat er zich rondom hen begon af te spelen’ (‘Spektakel’); ‘om voortdurend met stomheid te worden geslagen’ (‘Cruiseschip “Dante” II’); ‘Wij vallen hier van de ene verbazing in de andere’ (‘De boomgrens II’). Duidelijk géén voorbeelden van het adagium show, don’t tell.

Ten slotte legt de dichter een al te grote voorliefde voor uitdrukkingen (en variaties daarop) en woordspelingen aan den dag. Misschien dat zijn achtergrond als neerlandicus hieraan debet is, en betreft het een geval van beroepsdeformatie.
Uit het vierde deel uit de afdeling ‘Vraagschaal’: ‘Laten we de broek aantrekken en de handen / uit de opgestroopte mouwen steken. Het bed / moet nodig afgehaald de kussens opgeschud / de lakens uitgedeeld. (...) Iemand die ons verzekert dat we vroeg genoeg / zullen weten hoe laat het zal zijn en die namens / ons de messen kan slijpen om appels te schillen. / Later laten we ons in een warm bad vollopen / wenden de blik af van de douche die ons straks / zonder twijfel koud boven het hoofd hangt.’ Hoewel de uitdrukkingen niet letterlijk worden gebruikt, vallen in deze passage zeven of acht variaties daarop (of verbasteringen daarvan) te herkennen. En in ‘Dun door de broek’ zijn de uitdrukkingen ook niet van de lucht: ‘Hij neemt je de maat van een slecht zittend pak en rekent / pas af als je alles al dubbel en dwars betaald werd / gezet. (...) een vrouw met zo’n omvang moet zich wel dik maken / als ze voelt hoe haar man haar dun door de broek loopt.’
Nu heb ik geen problemen met een uitdrukking op haar tijd, maar dit is me toch echt te gortig.

Recensent: Willem Thies

De afstand – Wiljan van den Akker
Uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2008
ISBN 978 90 295 6595 0

Labels: ,

|

donderdag, april 03, 2008

ELDERS IN DE WERELD - Ingmar Heytze



Onlangs verscheen de achtste bundel van Ingmar Heytze: Elders in de wereld. Hiermee toont Heytze – wederom – aan dat hij goed lopende, goed klinkende gedichten over bijna elk onderwerp kan schrijven.
Het ‘elders in de wereld’ is allereerst een geografische aanduiding. Zo zijn er gedichten die spelen in Tuindorp, bij Zandvoort of in Madurodam. Maar ook, wat verder van huis, in het luchtruim (‘Spookvlucht’), in een baan rond de aarde (‘Conversatie’) of in een U-boot (‘U-96’) – op plekken, kortom, die niet tot de natuurlijke habitat van de mens behoren, in perifere regionen.
Daarnaast is de titel een nostalgische en romantische verwijzing naar de jeugd, naar een ‘elders in de tijd’, en naar de plekken van die jeugd. ‘Je was kind en alles was er, weet je nog, bijna niemand was dood / en je was zo klein als de wereld om je heen, drie straten en een / schoolplein, de geheime plek in de bosrand, jouw boom, het parkje / met de groene schaduwen achter de heg, alles was er en het zou er / altijd zijn want niemand kwam op het idee daar iets aan te veranderen’ (‘Achter de schutting’). En in ‘Orgelboek’ staan de regels: ‘hier werd je geboren en kijk daar stond het café, / het postkantoor, je zwarte fiets, het huis met de kamer / van het ene meisje en daar rook het naar seringen, / / ergens was een schoolplein met een boom waarvan / je hield, een goede haringboer, een rood paleis, / een oude kerk, geheime stegen, ergens was je blij // en ergens anders was je bang’. Vaak zijn die plekken er niet meer, of ze zijn onherkenbaar veranderd, wat op hetzelfde neerkomt. Ze zijn niet meer fysiek bereikbaar maar: ‘Ergens is een onbewaakte brug / naar het verleden.’
Ten slotte bevat de bundel ook gedichten over ‘een andere wereld’: de virtuele werkelijkheid. ‘Lonely planet’ gaat over verre reizigers die inlogtijd (‘tiktijd’) kopen om het thuisfront via internet verslag uit te brengen van hun omzwervingen, ‘Privéchat’ over iemand die er meerdere onlinepersoonlijkheden op nahoudt – ‘Acht vrouwen was ik. (...) Ik bestond op gele briefjes. Zo haalde ik / mij nooit door elkaar.’ Hier is ‘elders’ het World Wide Web, een domein waar men naar believen een ander kan zijn.

De gedichten in deze bundel zijn nadrukkelijk in de moderne tijd gesitueerd: er wordt niet alleen gemaild en gechat, er is ook een mobiele telefoon die van eigenaar wisselt, met als gevolg paranoïde intriges rond diens identiteit, er is een meubelboulevard die wordt opgeblazen, er is een TomTom die de bestuurder dwingende adviezen geeft over belangrijke beslissingen in diens leven.
Over al deze onderwerpen, en veel meer, weet Heytze gedichten te schrijven die klinken als een klok. Op momenten doen zijn sterke regels denken aan die van Menno Wigman, zoals in het volgende gedicht:

U-96

Opeens verlang ik hevig naar je stem. Ik bel je op,
voor je iets zegt druk ik je weg, ik ben vergeten
wat ik wil. ’s Nachts lekt de stilte uit mijn oren
en hoor ik de vreemdste dingen in de verte,

aan de grenzen van mijn waarnemingsvermogen.
De dokter zegt dat het mijn eigen lichaam is, het kolken
van mijn bloed, het ruisen van mijn denken, het trage,
trouwe bonken van de onderzeeboot in mijn borst.

Ik weet het niet. Af en toe is er een lach, een lied
waarvan ik hou, een ademhaling als de jouwe –
dan laad ik de torpedo’s, zet de motor af, blijf angstig
drijven in een zee van zweet, hijgend, radeloos.

Telkens is het loos alarm, maar soms verlang ik hevig –

Het is een cyclisch gedicht, een vorm waarvoor Wigman óók een grote voorliefde aan den dag legt – in veel gevallen komen de openingsregel (of één van de beginregels) en de slotregel van zijn gedichten overeen. De woorden ‘het trage, trouwe bonken van de onderzeeboot in mijn borst’ zijn ook wigmaniaans. Dit is geen verwijt, het is een compliment. Menno Wigman is de dichter van het fijne weefsel van klanken, de al dan niet verdekte alliteratie, assonantie en acconsonantie, én het mooie beeld.
Hoewel mooi, wringt het beeld in de context van het hele gedicht: eerst lijkt de ik een onderzeeboot in zijn borst te hebben, verderop in het gedicht lijkt de ik zich in een onderzeeboot te bevinden. Zit de onderzeeboot in hem, of hij in de onderzeeboot?
Er zijn meer regels waarin ik verwantschap met Wigman bespeur: ‘Achter je ogen is het nacht. Een gele maan valt scheef / op je gedachten. De tijd sluipt als een roedel wolven / langs de singels van de stad.’ (‘Orgelboek’); ‘Tussen wat tot bloedens toe bestaat / – brommers, bussen, de buren et cetera –’ (‘Kleine verlichting’); ‘Ik heb nooit bestaan op twee paar / open ogen na.’ (‘Privégenesis’).
Heytze schrijft soms magnifieke strofen voor het oor (en oog). Uit het gedicht ‘Kameleon’:

soms lukt het mij om weg te vallen
tegen de bekleding van een volle stadsbus
of op te lossen in de veelkleurige draak
van een zaterdagse winkelstraat.


Wat kan ik zeggen – álles zit erin: de verdekte alliteratie (bekleding-veelkleurige, stadsbus-winkelstraat) én assonantie (bekleding-veelkleurige, draak-zaterdagse-winkelstraat) én acconsonantie (vallen-volle-veelkleurige), en stuk voor stuk mooie exemplaren. Er lopen zo veel draadjes door dit gedicht dat het vanzelf een hecht geweven web wordt.

Wanneer Heytze overduidelijk en eenzijdig de lollige toer op gaat, doen zijn gedichten me veel minder. Een voorbeeld hiervan is ‘Blender’:

Appels peren mango’s kiwi’s sinaasappels en frambozen
alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender
bloemen gras kastanjebomen vingerplanten coniferen
alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender

pitbulls poedels cypers teckels bordercollies siamezen
alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender
appelvinken dwergkanaries witte haaien olifanten
alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender

kleitabletten perkamenten manuscripten harde schijven
alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender
schrootjes plinten stopcontacten grint plavuizen vinexhuizen
alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender

ayatollahs kardinalen goeroes lama’s predikanten
alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender
Allah Jahweh Boeddha Gaya Jezus Elvis Maradona
alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender

Dit is wel erg cabaretesk. Alles, van vruchten tot religieuze leiders en goden & iconen, wordt in het keukenapparaat gesmeten en gemixt en gepureerd. Het doet in vorm en woordkeuze meer denken aan een lied, een ‘sing-along’, van een deelnemer aan het Leids Cabaret Festival dan aan een gedicht. Je hoort de zaal al meeklappen en luidkeels de regel ‘alles in de blender wrrrrrrrrrrrrrrrrrrr alles in de blender’ meezingen.

Op zijn best is Heytze wanneer hij nostalgisch is, zoals in het schitterende ‘Achter de schutting’, een zestienregelig gedicht (overigens ook cyclisch) dat slechts uit één zin bestaat, waaruit ik hierboven al een fragment citeerde – óf wanneer zijn gedichten een zwartromantisch randje hebben, zoals ‘Bruiloft’:

Blijf weg van de bruiloft. Daar zijn twee mensen
die je niet wilt spreken. Er is een oom die moppen
tapt, een tante die een zelf vertaald liedje zingt,
een oma die iedereen aanklampt en zegt:
‘Dat ik dit nog mag meemaken.’

Er komt een ex die alle flessen op tafel ziet
en denkt: dat is niet genoeg. Er zijn kinderen
die rennen, schreeuwen, stampen, vallen, huilen
en naar huis worden gebracht. Er zijn mannen
die de barsten in elkaars schouders slaan.

Er zijn zwermende vrouwen met minder genade
dan guillotines. Er is een passant die spijbelt
van een crematie. Er is iemand die het bos
in loopt, glas in de hand, en nooit
meer wordt gezien.

Recensent: Willem Thies

Elders in de wereld – Ingmar Heytze
Uitgeverij Podium, Amsterdam, 2008
ISBN 978 90 5759 0498 - € 15,00

Labels: ,

|

dinsdag, maart 25, 2008

WARE GROOTTE - Tonnus Oosterhoff



De nieuwe bundel van Tonnus Oosterhoff heet Ware grootte. Het is, maar dat viel te verwachten, een bundel die opnieuw heel anders is dan de vorige. Guus Middag schreef naar aanleiding van De ingeland uit 1993 al eens: ‘Oosterhoff is een dichter zonder richting en zonder heldere lijn. Hij schrijft poëzie van het ene moment en van de ene inval, alsof hij bij ieder gedicht weer opnieuw begint’. Ware grootte laat andermaal zien dat Middag het wel eens bij het rechte eind zou kunnen hebben. Hoewel er zo langzamerhand natuurlijk overeenkomsten te vinden zijn tussen de tot nu toe verschenen bundels, bevatten ze allemaal een opvallend op zichzelf staande expressie van Oosterhoffs poëtica. Het is de poëtica van een dichter die telkens op zoek is naar uitbreiding van de toepassingsmogelijkheden van taal, die tegelijkertijd humor, nostalgie en andere sentimenten weliswaar wantrouwt maar niet schuwt en die tot nu toe steeds uit lijkt te komen bij teleurstelling over alle denkbare tekortkomingen. Een taal waarvoor geen teken is in dit heelal, / verstond ik voor de laatste maal schreef Gerrit Achterberg in zijn gedicht ‘Thebe’. Oosterhoff lijkt deze taal in zijn nieuwe bundel te willen deconstrueren, duidelijk in het besef overigens dat ook dit een onmogelijke opgave is.

De titel van de bundel is ontleend aan ‘Ik ben de dwerg’ (blz. 31 e.v.), een lang gedicht waarin mogelijkheden en deficiten van taal worden uitgewerkt en verenigd.

Ik ben de dwerg van gemiddelde lengte.
Mijn weefgetouw wordt als ik droom groter. Ik droom:
‘Als ik niet uit weven ga, dan zwaait er wat!’
De wereld is in het getouw,
ik zie de bodem doorgrond
en het naweven.
Maar word ik niet kleiner?


Op het eerste gezicht lijkt het gedicht te openen met een paradox: ‘de dwerg van gemiddelde lengte’. Maar het kan natuurlijk zijn dat deze dwerg tussen dwergen de gemiddelde lengte heeft. Het is maar net hoe je het bekijkt en beschrijft. De ik-figuur heeft een weefgetouw dat groter wordt als hij droomt. Of behoudt het weefgetouw toch zijn ware grootte en wordt de ik-figuur kleiner? Net hoe je het bekijkt. Het is allemaal denkbaar, zeker als je weet dat de wereld ‘in het getouw’ is, dat de ik-figuur ‘de bodem doorgrond’ ziet. De wereld wordt geweven. Het materiaal waarmee dat gebeurt is bekend. Wat dit oplevert? In dit gedicht een serie geweven taaldoeken die stuk voor stuk versluieren wat er eventueel achter schuil zou kunnen gaan. Woorden en zinnen zijn het die aangeven hoe het versluierde, in plaats van zichtbaar, juist uit elkaar getrokken, gespiegeld, verlicht, verkleind, vergroot, gefictionaliseerd, puur onbereikbaar et cetera wordt.

De hand op de wilg op het glas de
hand houdt de hand op
voet steunt de wind steunt
het weeshuis binnen
houdt de hand op de knip
steunt de sleepvoet


Geen leestekens, geen duidelijke zinsstructuren en een scala aan interpretatiemogelijkheden uitmondend in het woord ‘sleepvoet’. Een sleepvoet komt voor bij mensen die bijvoorbeeld een beroerte hebben gehad. Ze kunnen dan hun voet niet meer goed optillen doordat de signalen vanuit de hersenen naar de spieren niet goed worden doorgegeven. Een sleepvoet is ook een landbouwtoestel dat ingezet wordt bij bijvoorbeeld de mestverdeling, tezamen met de sleepkouter en de schijfkouter. Bovenstaande strofe gaat over meer dan we normaal gesproken in zoveel woorden vermogen samen te vatten. Dat kan hier zomaar. En er hoeven niet eens keuzes gemaakt te worden. Hier mag worden geprobeerd om alles tegelijk te denken, en te zien dat op deze bladzijde de medische zorg en de landbouw zomaar gemoedelijk samenkomen in een weeshuissetting, enkel en alleen doordat de taal dat eist.

Begin
Ik zit, half onder, half boven mijn ogen
met spiegel en kaapstander de hoek van de purperen sofa
donker te houden. Drie meter verder het raam, in het
spel van licht en schaduw
de schaduw.


Klaarblijkelijk begint hier iets. Wat is niet helemaal duidelijk. Het gedicht is al dertien regels aan de gang. De ik-figuur zit inmiddels, half onder, half boven zijn ogen iets te doen met een spiegel en een kaapstander. Zowel de spiegel als de kaapstander zijn typische vervormers van de waarneming. De spiegel lijkt de visuele werkelijkheid te verdubbelen en de kaapstander is gemaakt om zeer zware dingen, zoals ankers, draagbaar te maken, door middel van een ketting en een wiel op een verticale as. Met beide voorwerpen moet de hoek van ‘de purperen sofa’ donker gehouden worden. Die goeie oude sofa, die zo bekend is geworden van de psychoanalyse. Wat doet die hier? Moet de droom van het weefgetouw uit de eerste regels worden uitgelegd? Zijn uitgelegde dromen ook eigenlijk niet een vertekening van de alledaagse waarneming? Moet de ik-figuur hem daarom in het donker houden?

Het waait ‘en’-s van de vormarme wolken
over de vloer naar de vensterbank


En daar zijn dan ook de wolken, vormarm in dit geval, maar het waait ‘‘en’-s’, zoals in: Scandinavië, en: eenden, / Daar gaat een dame, schapen met een herder – / De wond’ren werden woord en dreven verder, drie regels uit het beroemde gedicht van Martinus Nijhoff. Het zijn geen echte wolken, maar literaire wolken die de fantasie op hol doen slaan en hele werelddelen kunnen uitbeelden. Het gedicht verwijst met fictieve wolken naar fictieve wolken die lijken te verwijzen naar wolken in het geheugen van een inmiddels dode dichter. Wat is er echt?

Nog gelaagder wordt het in de volgende strofe:

Ik stel me de ansichtkaart voor:
het rode weeshuis waarin het
burgerweeshuis stond waarin
taalwezen wachtten


Het Rode Weeshuis in Groningen heet eigenlijk het Burgerweeshuis. Het werd in 1599 ondergebracht in het voormalige Olde Convent dat een nonnenklooster was. De naam van het weeshuis verwijst naar de rode kledij van de burgerwezen. De ik-figuur bekijkt niet eenvoudig het gebouw dat er nog staat in de Rode Weeshuisstraat, maar haalt zich de ansichtkaart voor de geest waarop dat zogenoemde Rode Weeshuis staat afgebeeld. Op het moment waarop de foto genomen werd, was het echter allang geen weeshuis meer, maar een oud gebouw dat geschikt gemaakt was voor bewoning door bejaarden. Kortom: niks is wat het is. En wat is er dan nog wel, afgezien van een bejaardentehuis waar in het gedicht niet over gerept wordt? ‘Ik ben een dwerg’ is alleen al een gedicht waar je je uren in kunt vastbijten. Oosterhoff weet erin de suggestie te wekken dat taal en werkelijkheid volledig van elkaar kunnen worden losgezongen.

In deze zelfde bundel laat de dichter vervolgens zien hoe hij met zijn taal ook een volledige werkelijkheid bij elkaar kan zingen. Hij doet dat in het gedicht ‘Ik was stapelgek op Tilly’ (blz. 42). Het gaat hier om een gruwelijke bluestekst die mij onmiddellijk naar mijn gitaar deed grijpen om hem uit te proberen op het gezin. De strofen zijn (op twee na) drieregelig en delen van de eerste regels van de strofen worden in de volgende regels telkens herhaald. De regels binnen één strofe eindigen steeds met dezelfde rijmklank. Het gedicht begint met de hoopgevende verzen:

Ik was stapelgek op Tilly, ze lachte als de zon.
Ik was stapelgek op Tilly, die tandjes, net de zon.
Ik liet mijn Zündapp voor haar gieren, ze gooide haar sigaret weg,

ze klom achterop, ze zong.

Het wordt echte liefde. De ik-figuur en Tilly vrijen in het gras. Er wordt een kind verwekt. Maar dan gaat het de verkeerde kant op. De ouders van het amoureuze koppel reageren woedend, nee ziedend. Ze moeten denken aan hun eigen jeugd en de pa en ma van de ik-figuur krijgen ruzie over ‘wie destijds wie had verneukt’. En dan gebeurt het. Blijkbaar speelt dit in de dagen dat men het tandenpoetsen nog niet als gewoonte had en jonge mensen voor hun trouwen, ongeacht de kwaliteit van hun tanden en kiezen, een kunstgebit namen. Het is nog niet eens zo heel lang geleden.

Pa bracht me naar de tandarts; dat kostte wat, maar vooruit.
Pa bracht me naar de tandarts, al kostte het hem een beste duit.
Toen ik de spreekkamer inging, kwam Tilly er net uit.

Het bakje met je tanden, Tilly, vroeg ik van de tandarts mee.
Die witte tanden in hun bloedbad vroeg ik van de tandarts mee.
Mijn rotte groene knijters mochten rechtstreeks door de plee.


Tijdens de bruiloft die volgt, is Tilly almaar aan het huilen; ‘ons nieuwe gebit zat slecht’. Dan volgen veertig jaren vol ellende. De ik-figuur scheldt zijn vrouw uit en zij zegt niks terug; ze rookt, huilt, doet haar handen voor de oren en sterft uiteindelijk. De ik-figuur blijft zitten met een onduidelijk aantal kinderen. En uiteindelijk komt natuurlijk de spijt:

’s Nachts kan ik niet meer slapen, ik zie steeds je gezicht.
’s Nachts lig ik maar te woelen, zie almaar je gezicht;
het bakje met je tanden, dat geeft in ’t donker licht.


‘…alsof hij bij ieder gedicht weer opnieuw begint’. Oosterhoff kiest voor elk gedicht de vorm en de taal die er het beste bij passen. De bladspiegel varieert van hier en daar een zinnetje zoals in het gedicht ‘groening verbruining’ (blz. 14) tot aan prozaïsche tekstblokken in ‘Ik ben fan vanaf het eind’ (blz. 52). Per strofe kiest hij voor de mate waarin de regels der grammatica inzake zinsopbouw en leestekens worden toegepast. Hij moet niks. Hij mag alles. En dat maakt zijn oeuvre bijzonder rijk. Je kunt van deze dichter, om het zo maar eens te zeggen, alles verwachten. Behalve dan dat hij Dichter des Vaderlands zal worden. Want dat spreekt ten slotte duidelijk uit het gedicht ‘het deugt niet’ (blz. 15) dat iets heeft van een good old protestgedicht:

de dichter des vaderlands moet zijn van onbesproken levenswandel
van onbesproken levenswandel zijn. een blije hein. blije hein komt
bij het konijn schreien en bij de koningin met een knoopsgat schoons.
talloze schouderklopjes dalen op zijn achterste neer want hij stopt de strafschop.
reis zonder realiteitszin met de trein blije hein.


Oosterhoff bereikt maar een beperkt aantal lezers. Geen van zijn bundels werden herdrukt, hoewel ze de dichter allemaal een literaire prijs opleverden. Ik zou wensen dat deze gedichten een wat breder publiek vonden.

Recensent: Ronald Ohlsen

Ware grootte - Tonnus Oosterhoff
De Bezige Bij - Amsterdam, 2008
ISBN 978 90 234 2689 9 - € 16,50

Labels: ,

|

maandag, maart 17, 2008

VAN BLANCHE TOT BLANKEMAN - Willem Vermandere



Willem Vermandere tekent, schildert, noemt zichzelf in de eerste plaats beeldhouwer – ‘Het is een verslaving, dat labeur heb ik nodig om me goed te voelen’ – en als er zich een zin aanbiedt die beklijft, dan komt daar meestal een liedje van. Zijn liedjesteksten zijn nu gebundeld in het boek Van Blanche tot Blankeman.

De titel maakt duidelijk welke evolutie de volkszanger uit Steenkerke bij Veurne in veertig jaar tijd heeft doorgemaakt. Aanvankelijk zong hij in ongekuist West-Vlaams – later werd dat Nederlands met een West-Vlaamse tongval – over de onzin van de verschrikkelijke oorlog die nog vers in het geheugen lag, over zijn jaren in Lauwe en later in de Westhoek, en de eenvoudige zielen die er leefden: een man met paard en kar (‘Blanche, Blanche, Blanch’ en zijn peerd, / djuk djuk judjuk mijn peerd’), dorpsfiguren als ‘Piere de beeste’ of ‘Fredo en Marcelo’.
In een handvol strofen slaagt hij erin zijn subjecten vertederend en vol mededogen, niet zonder een kwinkslag, maar altijd raak te portretteren. Deze liedjesteksten zijn eigenlijk gedichten en zo is dit boek ook opgevat: een opeenvolging van teksten gelardeerd met enige tekeningen, een inhoudsopgave en een register, dat is al. Nergens worden jaartallen vermeld, discografische gegevens ontbreken.


Mettertijd bood zich een nieuw thema aan in het werk van de diepgelovige, sociaal geëngageerde Vermandere. De wereld werd één groot dorp en met evenveel gemak (of moeite, zo u verkiest) waarmee lieden destijds met de paardenwagen van Lauwe naar Kortrijk karden, doorkruisen ze nu hele continenten op zoek naar een beter bestaan. De multiculturele samenleving die hij bezingt in ‘Mijne Jezus is een Jood’ vindt Vermandere onomkeerbaar en allerminst een bedreiging. Zijn bekendste nummer, tegen wil en dank, is ‘Bange blankeman’. Tijdens een 11 juliviering in 1992 werd hij door Vlaams Blok-militanten belaagd omwille van het refrein: ‘Al de kinders van moeder eerde, / op charango en met gamelan, / ze zingen en roepen aan onz’ deure, / doet open bange blankeman’.

Recensent: Philip Hoorne

Van Blanche tot Blankeman - Willem Vermandere
Lannoo, Tielt, 2007
ISBN: 978 90 209 7380 8 - € 19,95

Labels: , , ,

|

dinsdag, maart 11, 2008

VLEES MIJ! - Stijn Vranken



Gedichtendag 2007. In de Antwerpse Arenbergschouwburg maakt de literaire fine fleur van Vlaanderen zich op voor een avondje lyrisch genieten. Aftredend stadsdichter Bart Moeyaert geeft de fakkel door aan een geweldig entertainende Joke Van Leeuwen. Tussen de (minder) bekende dichters betreedt Stijn Vranken het podium. De schuchtere houding is een pose. Hij is trots om zijn eersteling voor te stellen: Vlees mij is de bundel waaruit Vranken die avond zijn inspiratie haalt. Ik geniet van de woorden die over het podium rollen en betrap me er meer dan eens op dat ik duchtig mee applaudiseer. Ondertussen ligt de bundel voor mijn neus. Eens kijken of de snelheid van het podium ook op papier behouden blijft.

Nog voor ik één gedicht gelezen heb, valt me de onrust van de bundel op. Verschillende lettertypes en -groottes, een inhoudstafel in vette letters die over twee pagina’s uitwaaiert. Lector caveat, de dichter wil er zeker van zijn dat zijn woorden te pletter slaan op het trommelvlies van de lezer. En dat is inderdaad een eerste opmerking die ik wil meegeven alvorens dieper in te gaan op de gedichten zelf: podiumtaal op papier leidt niet dadelijk tot rustig leesvoer.

De bundel heeft vier onderverdelingen met klinkende namen als Histoire d’E (een gratuite knipoog naar de schandaalfilm uit 1975), Ongehuwd met voorbedachten rade, Leven is dodelijk en Gij (alweer) zijt de liefde. De titels laten de argeloze lezer geen mogelijkheid tot twijfel: dit is een dichter die niet alleen tracht op poëtische, maar ook op woordspelerige wijze.

Ik schrijf je

Ik schrijf je
want je had het veel te druk
met niet naar me te luisteren
om te horen wat ik zei.
Eenzaamheid is een recht van zelfs
de grootste geliefden
al zijn dat idioten zoals nu eens ik
en dan weer jij.
Ik schrijf je
in de hoop dat je beter lezen kan
dan luisteren.

Als je deze woorden in de oren van een geliefde fluistert na een romantisch dineetje, dan kan je alleen maar scoren. Dit is poëzie met een hoog Herman de Coninckgehalte. Ik beeld me de doorrookte stem van de overleden dichter in, hoe hij, na een avondje met Piet en Benno, deze woorden op het hoofdkussen van Kristien achterlaat. Alleen het standpunt van de dichter verschilt naar mijn mening. Vranken plaatst zichzelf in het middelpunt van zijn gedicht, terwijl De Coninck zijn geliefde op het ereschavot zou plaatsen. Maar is het trouwens een liefdesgedicht? Dat is net de spielerei waarmee Vranken koketteert. Hij verwijt zijn geliefde dat ze amper aandacht besteedt aan zijn woorden. Ze zijn te druk bezig om elk zichzelf te zijn in de relatie zodat er geen wijmoment kan groeien. De tweede strofe wil als universele waarheid bestaansrecht verwerven, maar pretenderen de woorden niet veel meer dan ze werkelijk inhouden? Dat eenzaamheid een recht is van geliefden kan ik me binnen de context der Liefde (met de grote L) best voorstellen, maar dan hoeft het volgende distichon niet meer in italics weergegeven worden. Het universele wordt volgens mij te snel terug naar de relatie getrokken. In een vroegere versie van het gedicht, die ik op internet vond, staat deze tweede strofe tussen haakjes. Het weglaten van van deze leestekens is al zeker een verbetering. De strofe wordt meer in het gedicht getrokken. Alleen met de cursivering heb ik nog een beetje moeite. Een knap gedicht vergt een streng oordeel.

Histoire d’E. (2)

We spelen duisternisje
en daarin
slechte pornofilms na:
woest imiteer ik
de ene beroemde erectie
na de andere
en jij, alles
behalve onder de indruk,
bijt ze stuk voor stuk
weer stuk.

Dit is een gedicht dat je op podium moet brengen: kort, krachtig en met een pointe die de aandacht wegleidt van de slechte woordkeuze. Het gedicht begint nochtans heel origineel met het spelen van duisternis in nevenstelling met de slechte pornofilms. De syllepsis van 'na' zindert binnen de context van het gedicht na. Ook de imitatie van de erecties tovert een glimlach op de lippen, maar dan stuikt het gedicht als een pudding in elkaar. Stuk voor stuk stukbijten: dit is het werk van een dichter die in een inspiratieloos moment een gedicht moet beëindigen.

In het tweede deel van de bundel, Ongehuwd met voorbedachten rade, worstelt de dichter verder met lijf en verhitte lendenen. Ook ík worstel met een te groot onevenwicht tussen de verschillende gedichten. Een origineel gedicht als

Geachte heer Vranken

Herinnert u zich nog
de vergadering van vrijdag jongstleden
met mijn lijf en zijn voltallige leden?

Uw aanwezigheid was een verpletterend succes,
uw actie getuigden van een doelgerichte
doortastendheid
en verscheidene afdelingen van mijn lichaam
hebben uw input dan ook diep gewaardeerd.

(…)

De afloop van het gedicht ga ik niet verklappen, maar de invalshoek van de lichamelijke liefde als een fusie van bedrijven spreekt me wel aan. Ook hier toch weer dat onbehulpzame taalgebruik dat je met de mantel der liefde bedekt omdat het geheel je doet glimlachen. Maar jongstleden en leden is niet dadelijk het rijm waar ik warm van word. Doelgerichte doortastendheid mag dan wel een alliteratie zijn, het enjambement heeft geen enkele toegevoegde waarde.
In een interview met De Standaard van 6 februari zegt Stijn Vranken zelf dat hij geen missie heeft. Het plezier van het schrijven is zijn drijfveer. Maar als lezer van de bundel wil ik dan ook een drijfveer om te lezen. Die vind ik dan gelukkig weer terug in het openingsgedicht van deze cyclus.

Huwelijksaanzoek 1

Als je me wil
wil me dan nu
nu de lucht in mijn longen
nog warm is
en mijn hand
nog arm is.

Als je me wil
wil me dan nu
of stilaan toch
straks …

Want morgen
morgen gaan we dood

en doden
vinden elkaar

nooit meer terug.

Met dit gedicht bewijst Vranken dat hij het in zich heeft. Sotto voce, geen woord teveel, passie die natrilt tot in je tenen. Een reden om verder te grasduinen in de derde cyclus van de bundel.

Leven is dodelijk bevat negen gedichten en een domme opmerking in een kadertje. Paul Snoek zou het wellicht nog een gedricht genoemd hebben, ik ga geen oordeel vellen. De lezer moet het zelf maar doen, maar een kritische dichter had deze spielerie niet opgenomen:

Ook het rijm van 'Requiem' kan me niet bekoren wegens te simpel. Prima om op een podium mee te scoren, maar als lezer geconfronteerd worden met deze statische rijmelarijen is spijtig.

(…)
Warme wind, o odyssee! / Ik ben uw klant, neem me mee / waai mijn vlees tot stof uiteen / ik ben niet meer mens alleen / maar wederom wat ik al was: / een vruchtbaar hand / vol dolend as. //


Ook in het vierde deel van de bundel Gij (alweer) zijt de liefde gaat de dichter op zijn elan verder. Liefde in al haar facetten blijft Vranken met wisselend succes aan het hart liggen.

Anders lief

In de herfst heb ik anders lief.
Met een kleiner hart, met kortere armen,
met meer miscchien,
minder u
en meer mij.

Trager ook, met meer afscheid
in mijn streling, meer gedachten
in m’n handen. Stiller. Vager.

Voorlopiger.


De dichter op een podium, alleen, een kaars werpt een lange schaduw op de gesloten ogen. Zijn stem fluistert deze woorden, het publiek ademt ze in, proeft de verzen op haar lippen en … geniet.

Je hebt podiumdichters. En je hebt stand-upcomedians. Het was wachten op Stijn Vranken voor een combinatie van beide: light verse op het podium met de punch van een stand-upoptreden. Hij krijgt een zaal probleemloos aan zijn voeten. Dit citaat uit De Standaard siert het achterplat van de bundel. Men heeft gelijk. Stijn Vranken is een podiumbeest dat met zijn gedichten een zaal in de palm van zijn hand houdt. Op papier kan de confrontatie met zijn poëzie mij minder overtuigen.


Recensent: Yves Joris

Vlees mij - Stijn Vranken
Uitgeverij Meulenhoff/Manteau, Amsterdam/Antwerpen, 2008
ISBN 978 90 8542 128 3 - € 19,95

Labels: ,

|

zondag, maart 02, 2008

LAGERWAL - Luuk Gruwez



Luuk Gruwez schrijft poëzie die direct aanspreekt, en daarin zou hij tot voorbeeld kunnen strekken voor een toch nog redelijk grote groep verzenkwekers die het landschap van de Nederlandstalige poëzie op dit moment bevolkt. Gruwez brengt de poëzie niet als verzameling loze slimmigheden of als een cursus lezer pesten. In zijn werk geen ge-ontregel (de truc met de baard) of semantische scherpslijperij (de truc met de baard en de drie borsten).

Maar wat biedt Gruwez dan wel? Wel, Gruwez biedt ons nu al negen bundels lang ontroerende poëzie. Ik weet dat het woord ontroerend in een kwade reuk staat, bij sommige beroepslezers, maar toch is dat de kwalificatie die mij te binnen schiet, als ik aan het werk van Gruwez denk.

Gruwez biedt, ook in zijn nieuwe bundel Lagerwal, opnieuw gewone, klinkende verzen, aangenaam voor oor en hart. Van de eerste regels van het openingsvers 'Moeders' ('Men herkent ze van ver en van vroeger: altijd in rep en roer, / altijd dat vertrouwde rumoer.') tot de slotregels van het kwatrijn 'Niets' waarmee Gruwez afsluit: 'Niets eindigt zoals het hoort. Niet / het dankwoord en niet de lustmoord, / niet het rustoord en niet het slotakkoord. / Geen enkel rijmwoord. Niets zoals het hoort.'

Gruwez' poëzie hoeft het niet te hebben van het 'verontrustende' of het 'noodzakelijke'. Wat weer niet wil zeggen dat zij saai zou zijn, of getuigt van willekeur. Integendeel, maar Gruwez ranselt zijn boodschap er niet met mokerslagen in, – hij is zich maar al te goed bewust van het effect van loze woorden: 'En allen willen naar hun hemel klimmen, /
maar allen vallen in hun graf.'

Gruwez biedt eveneens melancholische poëzie; een gevaarlijke keuze, waar sommige dichters hun verzen veelal mee om zeep helpen. In zijn nieuwe bundel Lagerwal zegt hij, in een gedicht over zijn overleden zus: '(...) wij hadden, Carmen, een pak meer heimwee / dan geschiedenis. Als leek de larve ons charmanter dan de vlinder.' Bij Gruwez geen hoog-opvliegende vlinder, die schoonheid zij, maar wat zacht gemijmer over de larve. Die gelukkig nog niet hoeft te vliegen.

Gruwez schrijft heldhaftige poëzie, al is de held niet bepaald heldhaftig, maar eerder de kleine sukkelaar, of beter, een realist. In 'Over het niet verrichten van een heldendaad' heet het:

Beklim het dak waarop zich een wanhopige bevindt. Benader hem.
En breng hem aan het lachen door te vragen
Hoogtevrees, my dear?
Zoek uit wat hem bezielt en hoe hij heet en wie hij is. Waarom hij
uitgerekend nu zo diep. Raak in zíjn plaats aan lagerwal. En val.


Dit gaat weliswaar in tegen wat Gruwez in het vorige gedicht ('Over het verrichten van een heldendaad') schreef: 'Want groot is enkel hij die niets / verricht dan het verrichten van volkomen niets. / Deins er nooit voor terug geen heldendaad te begaan.' Maar toch weer niet. Want wat is het verschil tussen plaatsvervangend aan lagerwal raken en helemaal niets doen? Geen groot verschil, vermoed ik.

In De Standaard van 22 februari zei Gruwez hierover: 'Je zou kunnen zeggen dat ik de dichter van de gebreken ben, omdat ik de neiging heb de constructiefouten van de schepping te herstellen. Wat al volmaakt is, behoeft geen verder verhaal meer. Wat gebreken heeft, zet me aan het spreken.'

Gruwez heeft ook de sympathieke gewoonte om elke bundel te voorzien van een klassiek gedicht in spe (zoals 'Sourdine' uit Een huis om dakloos in te zijn en 'Dikke mensen' uit Dikke mensen – met de prachtige regels 'Hun buik is buitenland waarin zij wonen, / aldoor verlangend naar de slankste tailles / die hen doen watertanden als gebak.'). Voor deze bundel zet ik in op 'Desideratum':

Er woont een beest in mij dat Desiderius heet
en zich van tijd tot tijd een engel wenst
die in zijn plaats welwillend ouder wordt,
die zorg draagt voor elk sprekend vlees,

van dragqueens en boerinnen houdt,
caissières van de Spar en astronauten.
Het is min twintig in mijn leven: ik ben
gevestigd in mezelf als in een diepvriesvak.

Trekt dan uiteindelijk een engel bij mij in
en wordt hij door mijn Desiderius ontkleed,
moet hij zo naakt als lucht, in een volkomen vlees-
loosheid, naast soepvlees, ossentong en dameshart.

Wat mij brengt op de laatste typering van Gruwez' poëzie: zij is aards, lichamelijk, kleiig en lyrisch tegelijk. Dat is ze omdat Gruwez in staat is om zijn verzen op te tuigen met ogenschijnlijk botsende begrippen (van het abattoir tot zedigheid, in het gedicht 'Abattoir') die hij, middels zijn vakmanschap, lyrisch in het gareel zet.

In het eerder genoemde interview met de Standaard zei Gruwez hierover: 'Ik hecht veel belang aan metier, maar zelfs tijdens het schrijven ben ik niet altijd de baas. Soms dringen verzen zich zo dominant op dat ik er moeilijk weerstand aan kan bieden. Soms begrijp ik ze niet eens, terwijl ze beslist toegankelijk zijn. Ik ben geen mythomaan, maar ik geloof wel dat het gedicht gezagvoller kan zijn dan de dichter, waarmee ik op het terrein kom van Bart Peeters, die zegt dat het lied slimmer is dan de zanger.'

Het is een vaagheid die we Gruwez, inmiddels de beste dichter uit het Nederlandse taalgebied, na lezing van Lagerwal met plezier vergeven. Sterker nog. Voor Lagerwal zou ik mijn hoed, zo ik die had, heel diep afnemen. Kopen, die bundel. En stuklezen.


Recensent: Chrétien Breukers

Lagerwal - Luuk Gruwez
De Arbeiderspers, Amsterdam/Antwerpen, 2008
ISBN 978 90 295 6637 7 - € 15,95

Labels: ,