vrijdag, november 19, 2004

ALLEMANSGEK - Luuk Gruwez



Luuk Gruwez (1953) wordt zeker in Vlaanderen beschouwd als een van de grootste levende dichters. En terecht. Vanaf 1990, toen de bundel Dikke mensen verscheen, lijkt Gruwez bijna geen kwaad meer te kunnen doen bij kritiek en publiek – behalve misschien bij dat deel van de kritiek dat zich opwerpt als voorvechter van de onleesbare ‘avant-garde’ en in die hoedanigheid alle leesbare poëzie denkt te moeten verwerpen. Betreurenswaardig, maar het gebeurt. Gruwez echter gaat al zo’n dertig jaar zijn eigen, onverstoorbare, Gruweziaanse gang. Om de vier of vijf jaar publiceert hij een nieuwe, gave bundel, zonder zich al te zeer op te laten jagen.

Het genre dat Gruwez beoefent zou ik het ‘bij voorbaat al klassieke vers’ willen dopen. Onder dit genre vallen gedichten die er altijd al lijken te zijn geweest, die door hun technische perfectie bijna moeiteloos tot stand lijken te zijn gekomen en die je juist daarom meerdere keren moet herlezen, omdat je niet meteen door hebt hoe goed ze zijn. Een gevaarlijk genre. Het gaat snel mis als de dichter niet voldoende greep heeft op taal en thematiek.

De kortgeleden verschenen bundel Allemansgek is in alle opzichten een ‘echte’ Gruwez (een belachelijke omschrijving, welbeschouwd, want wat is dan een ‘onechte’ Gruwez?). Het boek staat vol gedichten die klinken als een klok en staan als een huis, ik kan er ook niks aan doen – soms grijp ik naar termen die eigenlijk thuis lijken te horen in de sportverslaggeving of, beter, in de bouwwereld. In heldere, klare taal beschrijft Gruwez opnieuw een aantal oeroude, belangrijke thema’s zoals liefde, dood, erotiek en, in deze bundel misschien wel het hoofdthema, de zoektocht naar een ‘eigen ik’.

Dit moet u niet verwarren met een zoektocht naar een ‘eigen identiteit’. Dat is een modieuze bezigheid die niets inhoudt en alleen therapeuten aan het werk houdt, en bovendien heeft Gruwez nou net aan identiteiten geen gebrek, maar wel aan een ‘ik’. Een ‘ik’ dat kan samenvallen met de dichter die de bundel schrijft, of met de particuliere persoon Luuk Gruwez, als het maar samenvalt. Hij doet dat zonder larmoyant te worden, met een jaloersmakende technische beheersing van zijn métier. Zeker in deze tijd van sterk over het paard getilde kinderpoëzie die voor echte poëzie moet doorgaan zou je sommige dichters een dergelijke beheersing toewensen. Het openingsgedicht, waar de bundel zijn titel aan ontleent, en dat dus Allemansgek heet, volgt hier in zijn geheel, ter stoffering van wat ik net heb beweerd:

Allemansgek staat voor het raam en ziet.
Allemansgek gaat in bad en ziet.
Allemansgek wordt bijna gek van wat hij ziet
en poetst zijn bril, waarmee hij weg wil of toch niet,
terloops bemerkend dat hij niet meer jong is.

Dit en dat. Dat en dit. En dit vooral merkt
Allemansgek: daarbuiten staat de wereld woest in bloei.
Allemansgek slaat zich verbitterd voor het hoofd
en vraagt zich af: wie trapt er voor het laatst
en onzelfzuchtig in de valstrik van mijn zompig ik?

Het is de vraag of Allemansgek die vraag
wel aan zichzelf of aan een ander stelt.
Allemansgek rookt een sigaar en wacht.
Zoals de rook van zijn sigaar, diep in de nacht,
is hij al snel verdwenen naar het allene.

Er hangt een vreemd gevogelte tussen zijn benen,
iets slaps dat lijkt op een geslacht ter ere van het wereldwijd
vergetene. Er komen mensen aan zijn raam voorbij.
Het kenmerkt hem dat hij dit ziet en wuift en wenkt.
Wie kruipt er in mijn ik? vraagt Allemansgek.

Schnell. Schnell. Kom allemaal. Bemachtig mij.
Bevrijd mij van mij. Wees mij. En vergeet mij.

Cycli als Een merkwaardig spraakgebrek en Sterftewinst behoren tot het beste wat hij tot nu toe heeft geschreven. Allemansgek is een nagenoeg perfecte bundel, waarin de dichter zijn thematiek op een technisch volledige wijze onder woorden weet te brengen. Dat is alleen maar weggelegd voor grote dichters. Als extraatje voegde de uitgeverij er een cd aan toe, waarop Gruwez de bundel voorleest. Aardig, voor de liefhebber.

Overigens vind ik het volgende: Gruwez doet buiten zijn werk nauwelijks poëticale uitspraken. Dat is enerzijds verstandig, het werk dient voor zichzelf te spreken en elk gedicht is op zichzelf al een uitspraak over de poëticale opvattingen van de auteur. Anderzijds is dat jammer. Gruwez zou, uit hoofde van zijn werk, een nuance kunnen aanbrengen in het poëziedebat zoals dat nu wordt gevoerd in bladen als Yang en Dietsche Warande en Belfort, maar ook in een blad als de Revisor en Parmentier, waar het er iets minder uitgesproken aan toegaat. Gruwez zou een goede opvolger zijn van de essayist Herman de Coninck, wiens poëziebeschouwingen van een in het Nederlands tot nu toe ongeëvenaarde helderheid waren. Hij was de enige essayist die zich in het werk van een dichter kon inleven, ook als hij dat werk niet waardeerde. Het Nieuw Wereldtijdschrijft moet nu, onmiddellijk, weer worden heropgericht!

POËZIERAPPORT: 9 / 10


Recensent: CHRÉTIEN BREUKERS

'Allemansgek' (+ CD) - Luuk Gruwez
Uitgeverij de Arbeiderspers, Amsterdam, 2004
ISBN 90 295 2274 4 - € 17,50

|