maandag, november 15, 2004

DIT IS MIJN DAG - Menno Wigman



‘Zijn meest virtuoze en beklemmende poëzie tot nu toe,’ zegt de achterplattekst. Ach ach, uitgeverijpraatjes, denk ik eerst. Wigman stond er toch al vanaf zijn eerste bundel en legde vervolgens met Zwart als kaviaar de lat nog iets hoger. Hij neemt gewoon de draad weer op waar hij hem drie jaar geleden heeft neergelegd, dat blijkt ook uit vormelijke aspecten van het boek, Prometheus moet daar niet lyrisch over doen. Natuurlijk is de laatste bundel altijd de beste. Ik heb nog nooit een flap gelezen waarop te lezen stond dat de dichter heel hard zijn best heeft gedaan, maar zijn vroegere niveau helaas niet meer haalt. Overtreft Menno Wigman zichzelf, dat is dus de vraag die ik me vooraf stel.

Een zwakke bundel bespreken is eenvoudig. Uit een overaanbod van wankele gedichten pikt de recensent het meest invalide vers, maakt het belachelijk, zwijgt zedig over dat ene niet misse gedicht op pagina 21, en zet de dichter aldus nog meer te kakken dan hij eigenlijk verdient. Maar wat te schrijven over een bundel met tal van hoogtepunten? Vindt u het goed dat ik u zeg: “Koop of leen Dit is mijn dag. Lees en geniet?" Mag dat voor één keer volstaan? Een sportverslaggever kan een voetbalwedstrijd die op 7-4 eindigt, met tien gele en drie rode kaarten, afstandsschoten die uiteenspatten op paal, lat en kruising, relletjes voor en na de wedstrijd, en tijdens de rust een streaker die ter hoogte van de middencirkel zijn kilt afgooit, toch ook niet deftig verslaan in een samenvattinkje van anderhalve minuut?

Vooruit dan maar.
Ritme, metrum, klankkleur, wat ik gemeenzaam wel eens omschrijf als ‘een gedicht moet goed bekken’, geen enkele dichter beheerst het beter dan Menno Wigman, zie bijvoorbeeld de beginregels van Een soort thuiskomst:

Toen ze me wekten was mijn hand bevleesd.
Over mijn ribben spande zich wat huid

en zwaar van slaap keek ik mijn ogen uit.
Ik wist niet wie mij op dit daglicht wees,

laat staan of ik hier eerder had geleefd.
Een tak zag ik, en nog een tak, en ook

een kruis dat in de hemel stak.


Thematiek dan. Op het achterplat wordt tot twee maal toe vermeld dat Menno Wigman een stadsdichter is. Dit is een bundel vol harde (nou nou) stadslyriek, luidt het. En ook dat Wigman als geen ander stem weet te geven aan de onlustgevoelens van het moderne stadsleven. Ik weet niet goed of ik dit wel kan beamen. Het is slechts één facet, en het zou oneerbiedig zijn hem als dusdanig te stigmatiseren. De stad fungeert in veel gedichten als decor, dat wel, maar het is de dichter zelf die de hoofdrol speelt en zich als een soort dandyeske somberman wentelt in de onlustgevoelens die zijn biotoop genereert. Mocht Wigman op het platteland wonen – een somberman op klompen – dan zou hij evenmin een vrolijke Frans zijn. Wigman lijdt aan het leven (en de liefde), maar precies dat treurwilggevoel verschaft hem een bestaansrecht: goede gedichten schrijven, hoewel ook dat een enorm zinloze bezigheid is. Uit het schitterende Tot besluit:


En ik, die keffend in mijn canto’s woon,

had ik maar iets nieuws, iets nieuws te zeggen.


Het is een retorische verzuchting, er valt helemaal niets nieuws te zeggen. Blijven keffen in canto's is de boodschap. Mooie beeldspraak trouwens, die tegenstelling tussen het gemene woord 'keffen' en het haast sacrale 'canto's'. Overigens hanteert Wigman in het allerlaatste gedicht van deze bundel één van de prachtigste beelden die ik ooit las (kun je beelden lezen?): ‘Toen viel een kluitje mensen uit elkaar.’ In zijn ongekunstelde eenvoud enig mooi, Wigman ten voeten uit.

‘Dit is mijn dag’ telt 31 gedichten, verdeeld over vijf cycli, met een inleidend en ‘uitleidend’ gedicht, volgens het symmetrisch schema 1 – 5 – 7 – 5 – 7 – 5 – 1. De drie eerste afdelingen zijn rijkelijk gevuld met ijzersterke gedichten. Slechts enkele malen frons ik enigszins afkeurend de wenkbrauwen, meer bepaald bij de 'inside joke' Erratum en bij het gelegenheidsvers ter gelegenheid van de tachtigste verjaardag van Gerrit Kouwenaar. Wanneer dichters voor dichters schrijven, voel ik me als de simpele lezer een beetje buitengesloten en verliest het gedicht aan anonieme spankracht.

De vierde afdeling bevat zeven dood-gedichten. Wigman herneemt er Oudste zoon uit ’s Zomers stinken alle steden, allicht omdat het zo goed in deze cyclus past. Bij de gemeentekist van mevrouw P., een gelegenheids-uitvaartgedicht voor een eenzame bejaarde vrouw geniet evenwel mijn voorkeur om hier integraal geciteerd te worden, omdat het zo verdomd achteloos af is:

Slaapt ze? Ze slaapt. Na drieëntachtig jaar,
driehonderdvijfenzestig keer per jaar,
haar haar gekamd te hebben, op ik weet niet hoeveel
schoenen door de stad te zijn gelopen,
steeds maar weer die veters, vorken, lepels,
mensen, wat voor mensen, waar dan, slaapt ze.

Ze slaapt en ik, morbide als ik ben, denk aan
haar kam, haar nagelschaar en wenkbrauwstift,
hoe alles, nachtcrème, bankpas, tijdsgewricht,
wordt weggeworpen, uitgewist. En dit,
is dit beschaamde slepen een begrafenis?
Alsof je ongemerkt een munt verliest,

op een verveeld station je krant vergeet. Zoiets.
Noem het tragiek, noem het ritme, de tijd,
die vuile carnivoor, zorgt steevast voor een eind
dat stinkt. Maar ze slaapt nu, ze slaapt.
Dus dek haar toe en zorg dat haar vermoeide voeten
nooit meer de straat op hoeven.


De vijde en laatste cyclus bevat vijf gedichten bij oude politiefoto’s en is de meest opmerkelijke uit de hele bundel. De aanduiding ‘beklemmende poëzie’ waar de uitgever op het achterplat mee uitpakt, is vooral op dit handvol gedichten van toepassing. Het lijkt wel alsof Wigman in de huid van een gepensioneerde rechercheur kruipt en met veel gevoel voor drama aan zijn kleinkinderen enkele straffe politieverhalen – sorry, politiegedichten – vertelt. In elk gedicht wordt er vanaf de eerste versregel een spanningsboog opgebouwd. Om dit te illustreren som ik de vijf openingsregels even op:

Als ik kon spreken zou je alles weten:

Komt er een vrouw, een lange, slanke vrouw.

Een wesp, een sluipwesp, pal onder mijn glas,

Het kind dat ons niet kreeg, het wordt herdacht

Ooit, lang geleden, op een keerpunt in mijn eeuw.

De lezer wordt vijf maal meegetrokken in een thriller-in-pocketformaat. In de verantwoording laat Menno Wigman weten – 'Voor wie nieuwsgierig is' luidt het fijntjes – in welk boek de politiefoto’s te vinden zijn. Ik weet niet of hij het bewust zo bedoeld heeft, maar Wigman zet zijn lezers als politiehonden op weg naar een verhelderend spoor bij zijn poëzie.

Wat is eigenlijk de definitie van poëzie? Van Dale verwijst me door en nog eens en nog eens tot ik uiteindelijk uitkom bij het woord
ge·dicht (het ~, ~en)
1 zorgvuldig geconstrueerde tekst, waarin keuze en schikking van woorden, rijm, ritme enz. de expressieve en suggestieve waarde vergroten => poëem, poëma

Yep, Menno Wigman is een dichter. Niet zomaar een dichter. Een oerdichter.

POËZIERAPPORT: 9 / 10

Recensent: PHILIP HOORNE

‘Dit is mijn dag’ – Menno Wigman
Prometheus, Amsterdam, 2004
ISBN 90 446 0451 1 – 13,50 euro

|