MOOI VOETENWERK - René van Loenen
J.C. Bloem vroeg zich ooit af of een paar gedichten voldoende zijn voor de rechtvaardiging van een bestaan. Mij lijkt dat het bestaan geen rechtvaardiging nodig heeft. In deze opvatting is het schrijven van een paar gedichten mooi meegenomen – voor de dichter zelf en voor die negentien mensen die wel eens een gedicht lezen. Een geheel andere vraag is deze: is een bundel met daarin een paar gedichten die heel erg goed zijn en een groter aantal dat minder gelukt is, terecht gepubliceerd? Het antwoord las ik in het brievenboek Een aangename postumiteit van Herman de Coninck. Hij schrijft: ‘Een van de redenen waarom een dichtbundel doorgaans een stuk of veertig gedichten bevat, is dat iedereen er op die manier "zijn" drie mooiste uit kan kiezen.’
Dit zijn twee overwegingen die bij me opkwamen na het lezen van de bundel Mooi voetenwerk van de christelijke (waarover in het volgende tekstblok meer) dichter René van Loenen. Ik vind de bundel als geheel niet helemaal overtuigen, maar er staan toch minstens drie gedichten in die tot de mooiste gedichten behoren die ik dit jaar las. Er zijn bundels die ik als geheel beter vind waar minder mooie gedichten instaan. Van Loenen heeft zijn bundel zorgvuldig in elkaar gezet, daar schort het niet aan, maar hij lijkt mij vooral de schrijver van zo nu en dan eens een gedicht dat tot in het merg weet te ontroeren. Van Loenen is, enigszins gechargeerd gezegd, het christelijke antwoord op, of hetzelfde dichterstype als de hierboven genoemde Herman de Coninck, van wie hij trouwens een strofe (de eerste strofe van het gedicht Poëzie uit Met een klank van hobo) als motto voor zijn bundel heeft uitgekozen:
Niet Alice in wonderland,
maar Alice net terug: is dit weer
een nieuw wonderland? Nee, dit is gewoon,
na lange afwezigheid, de werkelijkheid.
Van Loenen schrijft, inderdaad, over de werkelijkheid, die hij via een lange omweg als zodanig heeft leren zien. Of, zoals op de website van de uitgeverij in ronkend flaptekstenproza staat: ‘In Mooi voetenwerk gaat René van Loenen op zoek naar het hogere, de mystieke ervaring. In de meeste gedichten overheerst echter een gevoel van vergeefsheid, het besef dat de tocht slechts voetenwerk blijft.’
Dit wervende (maar niet heus) proza biedt een mooi bruggetje om iets te zeggen over de woorden 'christelijke dichter' uit de vorige alinea. Van Loenen is – en ik denk niet dat hij bezwaar zal hebben tegen dit etiket – een christelijke dichter. Hij publiceerde bundels met gedichten, gebeden en liedteksten bij uitgeverij Kok en Boekencentrum, beiden christelijk van signatuur. Deze bundels stonden bij de boekhandel op de schappen theologie of liturgie. Je zou kunnen zeggen dat Mooi voetenwerk zijn literaire debuut is. Als lezer ervaar ik dat als verwarrend: ik ben opgevoed in de zekerheid dat poëzie nooit en te nimmer het voertuig van een ideologie of een geloof zou kunnen of mogen zijn (een opvoeding die ik geheel en zelf ter hand heb genomen, en waar ik nog steeds mee bezig ben). Dus als ik lees dat Van Loenen, een christelijke dichter, of beter: een christen en een dichter tegelijk, een bundel publiceert, gaan er in mijn hoofd meerdere alarmbellen tegelijk af. Opgepast: christenalert! Dat gebeurt ook als er, zoals in dit geval, weinig tot geen directe referenties aan het christendom voorkomen in de gepresenteerde gedichten. Bij de EO beginnen ze ook vaak pas aan het einde van een programma ineens over God.
Die alarmbellen rinkelen in dit geval ten onrechte. Bladerend door de bundel blijkt al snel, eigenlijk al bij het eerste gedicht, dat hier niet alleen een ideoloog of een gelovige aan het woord is, maar een dichter. Ik schrijft het eerste gedicht uit de bundel over:
Huis in Kells
De schoorsteen staat in bloei. Vensters ogen
als gaten. Dronken gaat de wind in en uit.
Een braamstruik slingert zich het trapgat
door en in de keuken waar de schapen poepen
groeit vluchtig een berk.
Er moet nog iemand zijn. Niet hier maar ergens
sluimeren herinneringen: er is een tijd geweest
dat rook de schoorsteen met verhalen vulde,
de nacht niet verder dan de vensters kwam.
Dit is, zonder voorbehoud, een mooi gedicht. Eenvoudig en beheerst van toon. Een oud, vervallen huis, in het Ierse Kells, dat door een mooie slotstrofe wordt gevuld met vroeger leven – je leest het en het gebeurt. Het is niet mis als je dit kunt schrijven. Een onbegrijpelijk gedicht schrijven, dat kan iedereen, maar een helder, op het eerste gezicht begrijpelijk gedicht maken dat bij nader inzien toch geheimzinnig is en blijft, dat kunnen maar weinig dichters. Eigenlijk zit er alles in, in dit gedicht. Bovendien is het een gedicht waar critici die het meer ophebben met het hermetische of het 'de verwarrende werkelijkheid blootleggende' of het 'niet-brave' vers hun wenkbrauwen voor zullen optrekken, en dat soort gedichten vervult mij bij voorbaat met sympathie.
Tegen het eind van de bundel staat nog zo'n perfect gedicht. Het heet St. Kevin:
Hij die niets te verliezen had, bad
zonder woorden, sprak in kleine gebaren.
Knieën gebogen, armen naar buiten
gestoken, als takken ten hemel geheven.
Een merel streek neer in de kom van
zijn hand, zijn vragende lijf.
Nachten gingen voorbij en steeds kwam het
licht voor de dag als een broedende vogel.
Zo mochten zijn vingers het antwoord
omspannen. Zo worden gebaren verhoord.
Ik geef het niet graag toe, maar elke keer als ik dit gedicht – een van de weinige met een overduidelijk religieus onderwerp – lees, krijg ik kippenvel van ontroering. En hoe ik ook mijn best doe om die laatste drie regels niet alleen te voelen, maar ook te begrijpen: het lukt me niet. Een gedicht met de kracht en de vanzelfsprekende, dwingende onbegrijpelijkheid van een gebed. Iemand die ik het liet lezen vond het beeld van een vogel in een biddende, geheven hand clichématig, maar dat is onzin: het gedicht is vanzelfsprekend, het lijkt er altijd al te zijn geweest, en dan vergeef je de dichter dat beeld, dat trouwens niet eens zó clichématig is.
Natuurlijk: ik kan hier een paar dingen opnoemen die me aan de bundel ergeren. Van Loenen is, om maar wat te noemen, nogal gek op het enjambement en past dat net iets te kwistig toe. De bundel is, als gezegd, weliswaar keurig van opbouw, maar zou iets meer gedichten mogen bevatten waarin Van Loenen dan maar eens wél uit de bocht vliegt. Maar toch: Huis in Kells, St. Kevin en het hier niet geciteerde gedicht Berini alleen al maken deze bundel de moeite van het aanschaffen waard. Mooi voetenwerk is een goede bundel met een paar heel goede uitschieters.
Oh ja. Mooi voetenwerk is verschenen bij uitgeverij Mozaïek. Teunis Bunt verzorgt voor dat bedrijf, onder het L-label, zoals in het colofon wordt vermeld, een poëziereeks waarin tot nu toe ook werk verscheen van Menno van der Beek, Henk Knol, Juliën Holtrigter en Jane Leusink; de laatste won met haar debuutbundel zelfs de Buddingprijs. Het is een kleine, maar kwalitatief hoogstaande reeks. Bunt heeft zich zo langzamerhand ontwikkeld tot een van de beste, en zeker tot een van de meest eigenzinnige poëzieredacteuren van Nederland. Ik ben benieuwd naar de volgende titels in zijn reeks.
POËZIERAPPORT: 8 / 10
Recensent: CHRÉTIEN BREUKERS
'Mooi voetenwerk' - René van Loenen
Uitgeverij Mozaïek, Zoetermeer, 2004
ISBN 90 239 9120 6 - € 11,90







