HET HARNAS – G.M. Berelaf
Het openingsgedicht van de debuutbundel Het Harnas van G.M. Berelaf heet Een leven en gaat zo:
Het bleek een verzinsel van de zon,
de enige ster. Nooit zou ik sterven,
er was geen schaduw om naar om te zien.
Een man verscheen.
Het bleek een grap van mijn hartslag.
Ik was een kleiner dier. Iemand zou me zogen.
Doorvoed en onderwezen ging ik onder water
en bleef drijven.
Het bleek een gril van Babylon.
Ik viel. Ik zag het getal,
nog voor mijn val. Ik loochende
medeplichtig zijn betekenis:
het bleek een samenzwering.
Een alleraardigst, sterk in de hermetische traditie wortelend gedicht, net wat u zegt. Misschien niet briljant, maar zeker veelbelovend. Een gedicht dat nieuwsgierig maakt naar de rest van de bundel. Helaas heb ik u, lezer, voor de gek gehouden. Een leven gaat namelijk zo:
Het bleek een verzinsel van de zon, de enige ster
en zo nabij, ik stond op en reisde mee met haar
over vlakten van sneeuw en ijs. Nooit zou ik sterven,
de nacht lag op afstand, een lichtjaar verder,
er was geen schaduw om naar om te zien.
Maar iemand riep om hulp, iemand had honger
en iemand sprak een wereldvreemde taal.
Ik draaide me naar het oosten, waar ik mensen
Zag werken, zaaien en oogsten. Een maan verscheen
en continenten verschoven en vergroeiden
Het bleek een grap van mijn hartslag.
Ik was een kleiner dier en ieder uur had een ochtend
en een avond, bracht zon of regen tussendoor
in een jungle waar mammoetkoeien graasden.
En iemand leerde me slapen, iemand zou me zogen
en iemand gaf me meer dan ik ooit nodig had.
Doorvoed en onderwezen ging ik onder water
en pompte zwaarder bloed door steeds lauwere zeeën.
Ik sloeg de zomers met grotere slagen en bleef drijven
in een onbehoorlijke warmte van liefde en leven.
Het bleek een gril van Babylon, in graden berekend
op een diabolische dubbelspiraal van zesvouden,
een radarwerk van haaientanden in smeltend ijs,
slippend als februari’s in schrikkeljaren. Ik viel.
Ik zag het getal, nog voor mijn val de grond raakte,
maar ik negeerde zijn teken als iemand die geen tijd had,
ik loochende medeplichtig zijn betekenis, alsof
ik nog de tijd had. En iemand brandde zijn ogen,
iemand hapte naar lucht en iemand verdween
om nooit meer iemand te hoeven zijn.
Het bleek een samenzwering.
Dit is andere koek. Hier is iemand bezig die er geen been in ziet om een overbodig woord in te zetten, iemand die een van tevoren bedachte constructie tot het bittere einde volhoudt. Het gedicht mist in deze versie alle spontaniteit, alle lucht, alle leven.
Yves Joris, die de bundel volgens het colofon redactioneel heeft begeleid, schreef op Meander een recensie over Het Harnas. Dat is natuurlijk onbestaanbaar: de redacteur die, nadat de bundel is verschenen, een andere pet opzet en lof over de mede onder zijn auspiciën tot stand gekomen bundel uitstrooit. Maar goed, in zijn recensie geeft Joris ons wel enig inzicht in zijn manier van ‘denken ’, bijvoorbeeld wanneer hij dieper ingaat op Een leven: ‘Dit openingsgedicht laat zich op verschillende niveaus lezen. Het gaat zowel over een persoonlijk leven als over leven in het algemeen. Het gaat over tijd en de beleving ervan (slippend als februari’s in schrikkeljaren). Het gedicht beweegt, in dubbelspiraal, de aarde om zichzelf, de aarde om de zon. De wereld ontstaat en splitst zich op: in het Oosten werkt de mens. De auteur laat de werkende mens samenvallen met de opkomende zon. Ook de tijd laat zich hier tweeledig vatten: de menselijke en de historische tijd. Kinderen en kleine dieren hebben een snellere hartslag en wellicht daardoor ervaren ze de tijd al op een andere manier dan volwassenen. De lauwere zeeën staan voor de berusting van de volwassene die zelfs tot in de derde strofe niet onder ogen durft zien dat zijn tijd maar beperkt is. Vlieg naar het Oosten en de tijd zal je vergezellen, vlieg naar het Westen en hij zal even stilstaan: tijd als subjectieve ervaring.’
Als ik dit citaat op de meest welwillende manier benader, ontstaat er zoiets als begrip voor wat Yves Joris neerpent, maar wartaal blijft het. Of nee: beter, het is de taal van iemand die zo gek is op zichzelf, op de door hem in de loop van jaren vergaarde kennis, nee, niet kennis, op de in de loop van de jaren door hem plichtmatig tot zich genomen boeken en artikelen, dat hij, bij gebrek aan enig taalgevoel, zo nu en dan eens uitbreekt in orakeltaal. Die orakeltaal heeft niets te maken met het gedicht van Berelaf, dat gedicht is alleen maar de aanleiding tot zijn taalexplosie. Iemand als Yves Joris leeft in een parallel universum, als ik ook even mag, dat helemaal nergens een raakvlak kent met het onze. Recensies als die van Yves Joris doen mij op de meest lauwe manier beseffen dat de mensheid, helaas, ten onder zal gaan – en niet zacht jankend, maar met een vreselijke knal. En misschien is dat maar beter zo.
Berelaf, ondertussen, heeft niets aan een redacteur en/of recensent, die hem zo drastisch bewierookt en het graf inprijst dat hij door de om hem heen hangende rookwolken en vanuit zijn graf geen helder zicht meer heeft op de poëtische werkelijkheid. En die is de volgende: G.M. Berelaf schrijft in zijn bundel zeker mooie regels, maar bijna geen helemaal geslaagde gedichten. Berelaf moet strenger zijn voor zichzelf. Veel en veel strenger. Niet alles wat op poëzie lijkt ís ook poëzie, al is dat vooroordeel bijna niet uit te roeien. Het is, na dit alles, niet verwonderlijk dat het enige echt goede gedicht er een is waarin alleen maar onzinwoorden staan. Daar heeft Yves Joris zijn redactionele klauw niet naar uit kunnen slaan. Hier beperkt Berelaf zich tenminste tot wat hij werkelijk te zeggen heeft. Het heet Junglesonnet:
Tadam tadam tadam tadam tadamta,
tadam, tadam, tadam, tadam, tadam.
Tadam tadam tadamta damta dam
tadam tadamta dam tadamta damta.
Tadam taram tadam taram taramta?
Tadam taram tadamtaram taram.
Tadim tadam tadim tarimta ram,
taram tadim taramta damta ramta.
Tarim toeda tadoem tada taroemba!
Tarim boeba taroembaba tadoem.
Tabimtoera taboer tada tabimboe.
Tabam boera tadamba roemba doemba,
taboem bimba tara taroemta boem.
Tabim toera boerta, tabamboe rimboe.
De dichter G.M. Berelaf heet eigenlijk Maurice Maes en is in 1963 in Maastricht geboren. Hij ontleent zijn pseudoniem aan een liedje van André Manuel, Kraaien, waaruit ik hier citeer tot we bij Berelaf zijn:
De kraaien op het land
Zwart als de raven
Zullen schateren op de dag
Dat deze jongen wordt begraven
De stoet vanuit de kerk
Tegen al mijn wensen in
Een laatste avond in de kroeg
Maar de familie had geen zin
't Zijn zulke brave burgermensen
Grijze mussen berelaf
Ja, ja. Manuel is een toffe gozer (‘deze jongen’) die niks moet hebben van die burgermensen, die grijze mussen, want die zijn berelaf. Diepe, diepe zucht. Dat zo iemand, Manuel bedoel ik, nog niet wereldberoemd is in Nederland, je kunt er met je verstand gewoon niet bij. Net zomin als bij het gegeven dat iemand zijn pseudoniem als dichter ontleent aan een zo enorm kreupel voorthobbelende tekst. Dat G.M. Berelaf, concluderend, twee poëtische leidsmannen heeft gekozen die hem van de regen in de drup helpen, is treurig. Hij heeft talent, maar kiest de gemakkelijke weg en die leidt niet tot goede gedichten. Berelaf, aan het werk!
POËZIERAPPORT: een 4 voor de moeite / 10
Recensent: CHRETIEN BREUKERS
‘Het Harnas' - G.M. Berelaf
Uitgeverij Opwenteling, Eindhoven, 2004
ISBN 90 6388 145 X - € 9,00







