dinsdag, maart 22, 2005

UNDERPERFORMER - Erik Jan Harmens



Toen ik in Nijmegen ging studeren, werd ik in de zogenaamde introductieperiode voor het eerst geconfronteerd met corpsballen. Tijdens een literaire avond bij Carolus Magnus, het Nijmeegse corps, werd een optreden verzorgd door de dichter en romanschrijver Edgar Cairo. Deze diepzwarte man werd door de aanwezige ballen – blauwe blazer, grijze broek, clubdas – voortdurend uitgescholden voor ‘zwarte’, ‘blauwe’ en ‘aap’. Ze gooiden nog net geen bananen naar hem toe, maar verder verschilden ze maar weinig van voetbalfans. Cairo deed alsof zijn neus bloedde en las dapper door. Op een bepaald moment tijdens zijn performance haalde de goede man een tamtam tevoorschijn. Dat had hij misschien beter niet kunnen doen, want het was voor de aanwezige ballen de aanleiding tot nog grotere hoon. Ik stond er bij, keek ernaar en durfde niets te doen. Aan die corpsballen moest ik denken tijdens het lezen van de bundel Underperformer van Erik Jan Harmens, die zijn toon onmiskenbaar van hen heeft afgekeken. In sommige kringen – die gelukkig niet de mijne zijn – gaat Harmens door voor een groot dichter. Dat lijkt mij een misverstand, en ik zal proberen uit te leggen waarom.

Erik Jan Harmens komt uit de donkere krochten van de zogenaamde poetry slams en maakte in 2003 de overstap naar het ‘officiële circuit’ met zijn debuut In menigten. Deze bundel, een verzameling puberale kreten en reclameslogans, oogstte enig succes en heeft nu dus zijn vervolg gekregen. De achterflap meldt: ‘Underperformer is een bundel over rouwverwerking voor gevorderden, autisme, stoppen met roken en een diepe, diepe haat jegens boeren. Gevangen in een idioom van street language, financieel-economische terminologieën en autistische woordcombinaties, is Underperformer een aanslag op ieders gemoed.’ Dat laatste is zonder meer waar: mijn gemoed is behoorlijk aangeslagen na het lezen van deze bundel, zij het in negatieve zin. Daarnaast bleef ik even hangen aan dat leuke, ironische zinsdeel: ‘(...) een diepe, diepe haat jegens boeren.’ Ach, of je nou negers uitjouwt of boeren (‘bruut ben niet ik maar de cocksuckers op hun boerderijen/zij hoeden schijnheilig het vee/achteloos rooiend rooiend/alsof er geen kinderen kermen en kermen’), de houding die aan dergelijke standpunten ten grondslag ligt, een houding die getuigt van minachting voor andere mensen, blijft – ironie of geen ironie – hetzelfde. En zelfs een behoorlijk zware vorm van ironie kan niet verbloemen wat de flaptekst al uitwasemt: deze bundel staat propvol bedenkelijke meningen van iemand die zich letterlijk met alle geweld groot wil houden: ‘als iemand op zijn gezicht valt voel ik niets’.

Maar goed, een gedicht nu. Om eens te kijken hoe Harmens te werk gaat. Het staat op bladzijde 43 en is onderdeel van de cyclus Outperformer, een gospel:

ik doem achter je op
leer je slagroomstijven met de staafmixer
ik lees in die slagroom geen zaad
mijn hoofd in de wolken naar taart

je blouse intact je wang polderrood en onbeslagen
bunny huppel moedig een ploeg aan de mijne
hoest de kwallen uit je longen als je rendang in de pot
knots sproeit als mijn autowassende buurman
taal op je platgerepeteerde pruillip

kijk in de lens en glim
vrees niet ik ben het de goedgemutste boswachter en zijn eindeloze trektochten
hij krijgt een dumdumkogel in zijn kraag
en een groezelig uur in de europarking
whisky is goed een staartje w is ook goed
krijg niet de bloedkanker in je bloed

het is de jongeouderinderuitaal
het is de puberpiercingplakplaatjestaal
het is de taal met een dikke laag curry
curry in je haar
curry in je trut
je currylippen schraal

deel wat je ziet in vakken op en tracht ieder vak afzonderlijk te duiden


Hatsee! De een is er gek op, de ander krijgt vooral het idee dat hier iemand zwaar op het effect speelt. Taalschmieren, dat is wat Harmens doet. Dit gedicht – duidelijk bedoeld om voor te lezen, en niet zozeer om eens rustig te lezen – moet het, voor de liefhebber, vooral hebben van een handvol seks en geweld, maar het wordt me nergens helemaal duidelijk wat het daar dan van moet hebben. De beelden die Harmens oproept hebben niets met elkaar te maken, het gedicht rammelt technisch en qua ‘inhoudelijke’ uitwerking, en bovendien is het wat mij betreft een goed voorbeeld van wat de huidige roep om ‘onbrave’ poëzie meestal oplevert: geleuter. Schep de stoere taal weg en er blijft helemaal niets over van deze curry. Wat wel blijft hangen is de toon van het gedicht, en die toon – van de toffe jongen – maakt Harmens wat mij betreft tot een ‘foute’ dichter, die zinnen schrijft als ‘vraag me om een cv/en ik zal ‘m er bij je in rossen/wapenfeit op wapenfeit’. Holle bombast.

Op zichzelf geeft dat niks, er zijn genoeg ‘foute’ dichters die prachtige gedichten schrijven. Helaas hoort Harmens bij een andere categorie, bij die van de zwaar over alle paarden getilde woordkramers. Bovendien is hij – ‘vrees niet, ik ben de goedgemutste boswachter’ – au fond een goede jongen, iets wat hij zo nu en dan probeert uit te stralen, maar ach! En wee! Goed of fout, Harmens heeft met Underperformer voor de tweede keer een uitermate zwakke bundel afgeleverd. En dan ga ik niet eens in op de verleiding om een woordgrap, met de titel als uitgangspunt, te maken. Voor ‘foute’ dichters geldt vaak het standaard verweer: niet de dichter, maar het personage zegt, ventileert bepaalde opvattingen. Bovendien gaat de bundel over autisme! Zieligheid verzekerd. Een onzinnig verweer, dat ik wil beantwoorden met een citaat: ‘ze noemen het cocktail maar denk niet aan een neger met een dienblad aan je hangmat/het is eerder holte die je ervaart als tot de rand/dat je iemand terugkickt in vlammen en later de haarlucht niet uit je gok krijgt’ – hier is iemand aan het woord die in elk geval de effecten die hij in zijn kreupele verzen bewerkstelligt heel duidelijk in de smiezen heeft.

Over de roep om ‘onbrave’ poëzie (zoals wie gedaan, dat weet ik niet meer) nog even. Poëzie hoeft of moet niets. Door de eeuwen heen is er altijd ‘brave’ en ‘onbrave’ poëzie geweest. Deze twee categorieën, voor zover zij bestonden of bestaan, hebben elkaar nooit in de weg gezeten. Daarom is de roep om ‘onbrave’ poëzie net zoiets als de roep om nat water. Als ik Harmens als ‘fout’ bestempel, heeft dat niets te maken met zijn ‘onbraafheid’, maar alles met de expliciete ‘boodschap’ die hij in zijn gedichten uitdraagt. Voorts bewijst Harmens met zijn bundel dat geraaskal – hoe je het ook wendt of keert – niet tot poëzie leidt. En dat verwerpelijke meningen, ook als je er een dikke laag ironie overheen smeert, bedenkelijk blijven. Daar kan zelfs de beste intentie van de dichter – die in dit geval volgens mij niet aanwezig is – niets aan veranderen.

POËZIERAPPORT: 1 / 10

Recensent: Chrétien Breukers


‘Underperformer’ – Erik Jan Harmens
Uitgeverij Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2005
ISBN 90 388 3118 8 - €
14,95
|