maandag, maart 28, 2005

VERZEN - Herman Gorter



Voor mij ligt een eenvoudig uitgegeven bundel met daarop een zwart-wit foto, voorstellende gekruiste voeten en benen van een jonge vrouw plus bloem... Verzen van Herman Gorter, de editie van 1890. Uitgever Atheneum- Polak & Van Gennep, Amsterdam 2004, 4de druk.
De drie eerste drukken, 1977, 1978 en 1987 waren voorzien van aantekeningen en nawoord, maar deze 4de druk geeft wel zeer weinig informatie over de dichter.

Voor zijn gedichten staat een foto afgedrukt van de ongeveer veertigjarige Gorter, met opstaand gesteven hemdsboord en pince-nez: fel kijkend met assertieve blik en sensuele mond.
Op de achterflap zijn meest geciteerde gedicht: Zie je ik hou van je, ik vin je zoo lief/ en zoo licht/ je ogen zijn zoo licht, ik hou van je, ik hou van je
Verder lezen we de zeer minieme introductie, waarin verwezen wordt naar de eerste uitgave van de bundel in 1890, zijn gewaagde neologismen en klankschilderingen en de appreciatie van Willem Kloos: de allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie.
Het lijkt wel alsof uitgeverij Atheneum speciaal moeite doet om voor de simpele lezer de poëziedrempel te verlagen door nog eens extra te benadrukken ‘je hoeft geen hoogontwikkelde poëzielezer te zijn om de eenvoud en de echtheid te ervaren...’

In tegenstelling met flapteksten op bundels van sommige geëngageerde dichters (zoals de eerder besproken Neruda-bundel) hier totaal geen biografische of socio-culturele duiding.
Als je dan de hele bundel doorleest, let je vooral op de sensitivistische stijl, de ietwat onrijpe verwoording van een onuitgesproken verlangen, de ingehouden sensualiteit en vooral de langoureuze stemming, het zich afzetten van een gevoelig mens tegen een bedrukkende (burgerlijke!) omgeving.
De dichter wil naar buiten, wil genieten, wil één worden met de natuur en gebruikt voornamelijk natuursymboliek en zangerige beschrijvingen van voornamelijk licht, wind, bloemen en bladeren, met nu en dan een beetje lichaam er in gesprenkeld.
Je moet je inleven in dit soort poëzie; vooral als je jezelf losmaakt van je eigen omgeving en je dompelt jezelf onder in de eenvoudige verzen (vb. door ze half luidop te lezen), krijgt deze poëzie het effect van een kalmeermiddel.
Tegelijk krijg je de indruk dat de dichter zelf deze gedichten vaak schreef als geraakte hij in een soort van trance die het hem gemakkelijker maakte om te ontsnappen uit zijn omgeving.


Ik ben alleen in het lamplicht,
de dingen kijken met ene glad gezicht,
om me in ’t licht.

De dingen staan om me zoo stil,
te luisteren naar wat de stilte wil,
vertellen wil.

En een verleden komt me aan de ooren
die stil opkijken en die stil ophooren,
dingen verloren


De dichter voelt zich onbekwaam om aan het actieve leven deel te nemen en laat zich zelf als het ware vervloeien in het donker.


De gonsregen, regen –
het opbewegen
van bladen als water valt,
de regen valt valt valt.

Zoo in me zelf gedoken te zitten
in ’t glanzige niet meer witte
licht – en nooit te beginnen
beweging en niet te bezinnen.

De regen maakt grauwe strepen
in de gladgrauw geslepen
lucht – de gordijnen hangen
treurig, den dag lange.



Soms lezen de gedichten zich als een zeer mooie nauwkeurige beschrijving van een stilleven, een vrouwenportret in een kamer. De vakkennis van de jonge Gorter om met weinig woorden tegelijk beschrijving en sfeer te scheppen, is hier merkwaardig. Deze gedichten, en vooral die waar hij het over de geliefde heeft, zijn m.i. erg modern, hoewel de thematiek oeroud is, maar wellicht juist daarom.


Stil zit ze, kijkt voor zich
langs hare wangen rood,
haar vingers bewegen zich
op hare beenen bloot.

Haar lichte haar is stil,
de oogen zijn niet te zien,
haar borsten staan stil,
niets te geschien.

Onder haar kin is rood –
warme schaduw,
en in de lichte schoot
donkerder schaduw.



Een thema dat doorheen de hele bundel loopt is de terreur van de klok, de tijd, de benauwende kamer waar de dichter in een soort inertie uit weg wil, maar niet uit weg kan.


’t Is zwart en donker,
kamerdonker als rook,
rood kolengeflonker,
daar boven holt de klok.

Langs de wanden bleekt flauw
een plaat en nog een –
het witte is lichtlauw,
’t likt alles lang geleên.

Hoor, het leven vliedt,
de klok holt, tik, tik –
zing het jammerlied
van het oogenblik.



Verder staan er mooie liefdesgedichten in deze bundel, waarin vaak het onmogelijk verlangen tot samensmelten met de geliefde verwoord is; de poging tot éénwording, zelfs de identificatie


Gij staat zoo heel, heel stil
met uwe handen ,ik wil
u zeggen een zoo lief wat,
maar ‘k weet niet wat.

Uw schoudertjes zijn zoo mooi,
om u is lichtgedooi,
warm,warm, warm – stil omhangen
van warmte, ik doe verlangen.

Uw oogen zijn zoo blauw
als klaar water – ik wou
dat ik eens even u kon zijn,
maar ’t kan niet, ik blijf van mijn.

En ik weet niet wat ’t is wat
ik u zeggen wil – ’t was toch wat.



Een ander thema is de haat-liefde verhouding met de stad, stad waar hij zich toe aangetrokken voelt en waar hij tegelijk bang voor is.


Toen heb ik me stil neergezet/aan den wegrand en met/ mijn oogen heb ik de stad aangekeken/die deed de lucht verbleken/ die deed de lucht verbleken/en de oogen schrikken/de stad lag daar stil te branden... Ik begon toen stil te rillen.

In een grijs huis en in een kamerlicht/woont ze, ze loop stil, ademt stil altijd..
ze is roodig in dat parellicht/ dat overdag over stadshuizen zwicht../’ s avonds in donker ligt ze vaak te schreien/het warme donker doet haar zo verblijen


Alleen maar deze eerste vroege Verzen van Gorter lezen, is natuurlijk al de moeite waard, maar het doet de dichter als mens geen eer aan als we niet worden aangespoord om ook zijn verdere levensloop, filosofie en overtuiging te leren kennen.

Het is een beetje gesteld als met zijn tijdgenoot Frederik Van Eeden (geboren 1860 in Haarlem - gestorven in 1932 in Bussum) van wie de meesten onder ons slechts enkele passages uit De Kleine Johannes, deel 1, kennen. In schoolboeken gaat het dan vaak over Windekind die Johannes leert bidden, en ook het fragment in het bos waar het bourgeoisgezelschap de dieren en de planten verstoort, is populair. Weinig handboeken vermelden echter het tweede deel, waarin tijdens een theekransje, met de dominee als voornaamste bezoeker, de dames worden opgeschrikt door het gedrag van Markus (‘een nihilist, een van die dwepers die het volk opzetten en het volkskarakter vergiftigen’). Kleine Johannes uit hier verstandige kritiek op de predestinatieleer in de godsdienst, waar de armen arm moeten blijven tot meerdere eer en glorie van God (om hem alzo te dienen) en het onrechtvaardige lot van de dienstmeid Daatje. Ook het feit dat een godsvruchtig kind sterft door ontbering is voor de schrijver via de mond van Kleine Johannes een van de vele socialistische thema’s.

Zoals zijn collega Frederik Van Eeden, die vanuit zijn studies als dokterpsychiater vanaf 1900 tot sociaal-communistische ideeën aangetrokken werd (stichting van ‘Walden’ in 1898) heeft ook Gorter in zijn zoektocht naar schoonheid de natuur verlaten om de mens en de maatschappij te gaan verbeteren.
Van Frederik Van Eeden vinden we nu en dan nog de tuinbouwcommune ‘Walden’ vermeld
(gebaseerd op de filosofie van H.D. Thoreau) maar weinigen hoorden van de oprichting van zijn coöperatieve ‘De Eendracht’. Dit was een opvangcentrum voor de ontslagen stakers na de grote spoorwegstaking in Nederland in 1904.

Over Gorter kunnen we van zijn druk en bewogen leven misschien toch enkele zaken onthouden. (Ik weet het wel, ‘de vent’ is niet altijd nodig voor ‘de vorm’, maar Gorter is toch meer dan de romantische sensitivistische schrijver van jeugdverzen en het alom bekende, mooie Mei.)

Zijn vader was een doopsgezind predikant die ook medewerker was aan De Gids. Hij stierf op 32-jarige leeftijd, toen Herman amper zeven jaar oud was. Er was nog een oudere broer en een jongere zuster in het gezin en moeder Gorter moest van haar huis een pension maken om in het gezinsinkomen te kunnen voorzien. De goede student Herman ging Klassieke Talen studeren aan de Universiteit van Amsterdam en legde zijn doctoraalexamen af in 1888. Toen had hij reeds een aantal gedichten geschreven, ook al een fragment van Mei. Hij was o.m. lid van het dispuutgezelschap Unica en had al contact met de dichters uit de kring van de ‘Tachtigers’ (Kloos, Verwey) In 1889 verscheen Mei in boekvorm, na een voorpublicatie in De Nieuwe Gids. Met dit gedicht vestigde hij al zijn naam en ik vermoed dus dat de bundel Verzen die in 1890 verscheen, ook voor een stuk jong werk bevat, wat m.i. hier en daar toch merkbaar is. Sommige gedichten zijn duidelijk nog onrijp van vorm, vergeleken met Mei, waar al van een veel groter métier sprake is.
In de periode dat Gorter leraar werd, vanaf 1890, was hij al volop zijn poëzieopvattingen aan het wijzigen. Eigenlijk was de dichter die door Kloos werd omschreven als een superindividualist (allerindividueelste expressie van de allerindividueelste emotie) reeds op weg naar communistisch engagement en moeten bij hem al kritische bedenkingen zijn ontstaan bij de beweging van Tachtig, die hij te bourgeois vond, te beperkt. De intelligente Gorter relativeerde al van in het begin de inhoud van zijn werk, want hij schreef zelfs aan een oom ‘Ik wil iets van heel veel licht en met een mooie klank schrijven...het doorloopt een geschiedenis en er zit wel een beetje filosofie in, maar dat is om zo te zeggen bij ongeluk.’

Zijn streven naar absolute schoonheid kon zich niet beperken tot het schrijven over de natuur en het gebruiken van allegorieën (in Mei zijn de beeldspraak en de homerische vergelijkingen wellicht mede geïnspireerd door zijn studies over Aeshylos - daarom niet minder geslaagd). Zijn rechtvaardigheidsgevoel en de veranderende maatschappij werden nieuwe bronnen waar hij uit putte.
'Want mijne beperkte zinnelijk-individueele emotie bevredigde mij niet. Was dat nu al de rijkheid, dacht ik? Bestond er nu niets meer dan dat? Altijd maar weer mij zelf, mijn eigen onmiddellijke omgeving, en niets meer?... In mijn wanhoop over mijn armoede besloot ik toen nog een geheel anderen weg te beproeven. Ik voelde dat ik waarheid, niet alleen over mij zelf, maar over de wereld, noodig had. Ik wist dat de filosofie eeuwen lang getracht heeft de wereldwaarheid te vinden. Daarom stortte ik mij in de filosofie. Maar moet ik nog zeggen dat de bevrediging die ik daar vond een valsche, een halve was?... Dorst naar schoonheid, onbevredigd, is een diepe pijn. Ik wendde mij naar alle kanten in den dag, ik wentelde mij op mijn leger en doorzocht mij zelf, maar ik vond de schoonheid, waartoe ik was uitgegaan, niet. Toen, terwijl mijn krachten reeds gevaar liepen te verslappen door overinspanning, liet ik mij naar het socialisme gaan. En daar, in de boeken van Karl Marx, vond ik wat ik gezocht had: den weg naar de algemeene schoonheid onzer onmiddellijke wereld, onzer maatschappij.’

De figuur van Gorter als mens heeft mij altijd geboeid, maar in een poëzierecensie kan ik moeilijk zijn hele leven vertellen. Voor diegenen die er zouden aan twijfelen of hij de streng kijkende schoolfrik van de foto is, of de etherische romantische dichter, voeg ik er graag aan toe dat hij na de dood van zijn vrouw in 1916, twee andere vrouwen liefhad, tegelijkertijd, en niet kon kiezen omdat hij geen van beide wilde kwetsen, veel op reis ging, intens sport beoefende, en een gedreven communistische partijgenoot was (weliswaar steeds met afwijkende gedachten). Hij ging zelfs in dispuut met Lenin en publiceerde in 1920 Offener Brief an den Genossen Lenin als antwoord op diens brochure Der Radicalismus, eine Kinderkrankheit des Kommunismus uit hetzelfde jaar. Hij vond dat opportunisme en strenge partijpolitiek niet strookten met de volgens hem eigenheid van de zoektocht naar het ware communisme. Het permanent in vraag stellen, het streng blijven voor zichzelf, dat was voor hem de echte betekenis van communist zijn.

Jammer genoeg vervreemdde hij door zijn standpunten van de gevestigde, zelfs van de kleine partijen die hij zelf hielp oprichten, en na 1916 kwam hij in een soort depressie terecht. Ook zijn fysieke conditie ging er op achteruit en na 1920 kreeg hij hartklachten. In 1927, toen hij terugkwam uit Zwitserland, kreeg hij in de trein een hartaanval en overleed daags nadien in Brussel, Sint Joost ten Node, in een hotel.
De diepe economische crash heeft hij dus niet ten volle meegemaakt en laten we hopen dat hij niet heeft beseft dat er van zijn grote idealen, ook tot mijn spijt, in de tweede helft van de 20e eeuw niet veel meer is terechtgekomen.

Wie alleen maar de Verzen, editie 1890, van Gorter leest, mist veel van de dichter, van de mens. In zijn verdere geëngageerde gedichten heeft hij niet meer de stijl van de prachtige aanhef van Mei (Eerste Zang, gepubliceerd in 1889) geëvenaard, maar de aandacht voor de ‘vermoeide man’ die troost vindt in de schoonheid van de natuur, heeft hij nooit verloren.

Mei (De aanhef)

Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als een gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
In een oud stadje, langs de watergracht-
In huis was 't donker, maar de stille straat
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels in mijn raamkozijn.
Dan blies een jongen als een orgelpijp,
De klanken schudden in de lucht zoo rijp
Als jonge kersen, wen een lentewind
In 't boschje opgaat en zijn reis begint.
Hij dwaald' over de bruggen, op den wal
Van 't water, langzaam gaande, overal
Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust
Van eigen blijheid om de avondrust.
En menig moe man, die zijn avondmaal
Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,
Glimlachend, en een hand die 't venster sloot,
Talmde een pooze wijl de jongen floot.

POËZIERAPPORT: 7,5 / 10

Recensent: Patricia Lasoen

‘Verzen’ – Herman Gorter
Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam, 2004
ISBN 90 25317 48 0 - 12,50 euro
|