maandag, april 25, 2005

ALS HET DICHTKLAPT - Roland Jooris



Je ligt in bad, dat heb je zo geregeld. Het is begin april en de vorige zwoele week is overgegaan in een gure week vol koude, regen, sneeuw en zelfs hagel. Nu lig je in bad, een warm tot heet bad, en gestoord zul je niet gauw worden. Je houdt je handen een tijdje boven water om ze te drogen. Je bent namelijk van plan iets te gaan lezen. In de tussentijd leggen zich een dolfijn en een schildpad zich te rusten op je borst die nog net boven het water uitsteekt, een strand besef je plotseling.
Dan pak je het fragiele bundeltje dat je lezen gaat van het tafeltje naast het bad. Roland Jooris, ja, je weet het. De Belgische woordkunstenaar, die begon als experimentalist, zich tijdens zijn lange staat van dienst meer en meer begon toe te leggen op het zuiver maken van zijn dichtkunst, dit door die dichtkunst te ontdoen van al dat overbodig is. Daarom doet zijn leeftijd er ook niet toe, bedenk je je opeens, en je weet niet waarom je dat denkt. Roland Jooris in vergelijk met Cesare Pavese, hoe zal dat gaan?

Je draait de hete kraan dicht, leunt bedaard achterover, en begint met het eens rustig beschouwen van de omslag. Dat doe je niet te lang, een ietwat slappe meen je! Een in stippellijnen uit te vouwen doos, een titel, een naam, alsmede een uitgeverij. Dit alles in een zemelig groen. Op de achterflap lees je het volgende: ‘hij (Roland Jooris) biedt ons geen schilderij en geen gietwerk van brons, maar houtsneden en tekeningen, waarin al het overbodige weg is gegumd en gegutst. Zoekt hij het in drie dimensies, dan is het de lucht die voor de derde moet zorgen, met het ritme van zijn woorden krijgt hij de wind eronder, het grondzeil verheft zich, het is grondwerk geweest tot op het moment dat het uitklapt. Een wonder is het, steeds weer, hoeveel er met zo weinig zo karige middelen tot stand komt. Niemand in Noord en Zuid doet dat Roland Jooris na.’
Even haal je diep adem en dan leg je het bundeltje terzijde, dit om een en ander de tijd te geven op je in te laten werken. Het is namelijk nogal wat, vind je. Je sluit de ogen, en genietend van het warme tot hete badwater, laat je de wervende tekst bezinken.

Je kent Roland Jooris als een man, een dichter, die met grote regelmaat boeiende uitspraken over de dichtkunst heeft gedaan. Zo herinner je onder andere: ‘mijn gedichten zijn meer een uitnodiging tot de lezer om naar buiten te kijken en zwijgend de beklemmende aanwezigheid van de dingen te ondergaan. Ik stel hierbij mezelf niet voor het raam, ik doe hem niet naar mij kijken. Ik wil enkel wat naast hem zitten, hem het gevoel geven dat hij zelf in het gedicht zit.’ Zoiets, die houding, spreekt je wel aan. Dan open je de ogen en hoort en ziet de regen tegen het badkamerraam slaan. En opnieuw ontdek je, en opnieuw plotseling, dat wat je in feite altijd in de dichtkunst zoekt, een soort echtheid is, zeg maar authenticiteit! Het is lastig daar een andere omschrijving voor te vinden. Je stelt je voor, waarom weet je niet, dat Roland Jooris dat heeft. Dan opnieuw pak je het bundeltje, acht en twintig kleine gedichten, van het bijzettafeltje om het open te slaan bij de inhoudsopgave. Zes groepjes gedichten, zie je, met ieder voor zich een vormend gegeven als leidraad voor dat betreffende groepje. Het badwater is nog altijd lekker warm, en het is heerlijk stil in huis. Je meent dat je nu wel zo ongeveer weet, al is het een feit dat je nog nooit iets van Roland Jooris gelezen hebt, schande over jou misschien, wat voor dichter je met Roland Jooris voor je hebt. Even huiver je, en het badwater rilt. Dan begin je.

Rauw

Poëzie
is wording die
blijft steken in de
rauwe, gebarsten
onhandige gaafheid
van het ongenoemde

haar voltooiing
is toeval, het stokkend
ongerepte uit haar krom
getrokken pen

poëzie
polijst niet wat
ze zegt, ze schuurt zich uit
in haar ontluistering

Het is goed gezegd, dat vind je meteen. Dit ondanks de dichterlijke clichés, de vele adjectieven, de opzichtige woordgroepen, de alliteraties, de verzorgde gestileerde binnenklanken, enzovoort. Toch is het een geslaagd gedicht. Het loopt, en is op een ongrijpbare manier helder. Maar onmiddellijk vind je ook, terwijl je opnieuw naar de regen op het raam staart, dat wat er beweerd wordt, ver van jouw idee over dichtkunst staat. Wat nu, hulpeloze dichter, die zich uitput in wat de Dichtkunst in heel haar ‘rauwe gebarsten en onhandige gaafheid,’ van de dichter eist. En dan ook nog, nota bene helemaal op het einde, ‘ontluistering.’ Dat bevalt je werkelijk niet, en toch is het een gedicht dat er zijn mag. Hoe komt dat toch, vraag je je af, terwijl je de dolfijn en schildpad van je borst afschuift. Het voldoet niet aan jouw criteria, dat moet het zijn. Meteen begin je na te denken over die criteria van jou, en dat weet je niet zo heel snel. Dat ontdek je vrijwel onmiddellijk. Even, heel even maar, zucht je vanwege je ijdelheid, dat je meende zoiets te kunnen weten. Toch wil je niet de poëtica van Pavese op Roland Jooris loslaten. Dat zou niet eerlijk zijn, vind je, maar waarom dat niet eerlijk is, weet je eigenlijk ook niet. Zoals je heel veel deze middag, naar je meent, niet weet. De regen slaat nu in alle hevigheid op het raam, en je besluit om maar niet te veel meer na te denken. Je gaat maar gewoon de bundel eens rustig lezen. Het badwater is nog altijd heerlijk warm, er is nog steeds niemand thuis, dus het kan! Voor drie kwartier is het, behalve de regen, stil in de badkamer, en je leest poëzie waar je werkelijk niet dol op bent, nu niet en nooit geweest, of zal zijn. Wat je na die drie kwartier wel zeggen kunt, is dat de omschrijving die je maakte na het eerste gedicht Rauw, volledig van toepassing is op alle gedichten uit de bundel. Wat je er nog aan toe kunt voegen, is dat Roland Jooris het gebruik van een duidelijk perspectief in de gehele bundel achterwege laat, en dat een en ander zeker zijn werking heeft. Al met al, als je eerlijk bent, en dat ben je, heb je best een beetje genoten.

En ter bevestiging dienaangaande lees je het laatste gedicht nog eens over. Die laatste kleine strofe, daar zit het hem in!

Zonder

Wakker de steen
aan, striem de pijn
van twijgen in het
water

laat de toegang vrij
waar je niet binnen
kunt: het schijnsel
flikkert maar dooft
nooit

waarom men zijn schoenen
uitloopt zonder dat
thuiskomst ons
wacht: het ontglipt
ons

Stil leg je het bundeltje weg, en stapt druipend uit het bad. Terwijl je een badjas van superieure kwaliteit om je heen slaat, hoor je beneden een sleutel in het slot steken en de voordeur zich openen. Dan laat je het bad leeglopen, en met het bundeltje onder je rechterarm geklemd ga je zwijgend de trap af naar beneden.

POËZIERAPPORT: 7 / 10

Recensent: Kees Engelhart


'Als het dichtklapt' - Roland Jooris
Querido, Amsterdam, 2005
ISBN 90 214 6809 3 - 15,95 euro
|