woensdag, augustus 17, 2005

[SPELING] - Rozalie Hirs



OVER EEN BEGINREGEL EN ZIJN GEVOLGEN

Het eerste gedicht uit de bundel [Speling] van Rozelie Hirs - die zich verder in bundel terecht en vertederend zal omschrijven als een ‘lievehirsbeestje’ - bestaat uit één regel. Het gedicht is meteen ook het titelgedicht. In al zijn bondigheid luidt het als volgt (Fasten yout seatbelts, lezer, wat hij gaat razendsnel, pijlsnel en recht door hart en logos, die regel):

Lees je, droom, je, denken, nu?

Dit is een totaal verfomfaaide en verfomfaaiende zin. Zes woorden waarvan er al één herhaald wordt: het woord ‘je’. Op het eerste zicht als persoonlijk voormaamwoord. Maar, al naargelang jouw eigen interpretatie, lezer, kan het ook als bezittelijke voornaamwoord. Twee andere woorden uit die zes (frons nu maar lezer) behoren tot de typische poëticale stereotiepen: ‘droom’ en ‘nu’. Deze zin heeft dus niets verrassends wat vocabularium betreft. Het is zelfs een beetje voorspelbaar. Nochtans zoals hij daar staat, midden in het wit van het blad (een wit waarmee Hirs heel ambachtelijk omgaat), kwam deze regel me eerst storend, dan vervreemdend en plots verfrissend over.

Zoals ze daar staan die woorden naast elkaar. In een regel die zowel een versregel moet zijn als een heel gedicht. Woorden zonder kleren aan. (Ik bedoel, zonder de context, de aanwijzingen van de gedichten die zullen volgen.) Ik heb alleen die titel als referentie. [Speling]. In godsnaam wat betekent ‘speling’ nu weer? Dat weet ik best, maar zoals het daar weerloos staat als titel voor een openingsgedicht, weet ik het echt niet meer: ik weet alleen dat woorden in een gedicht nooit eenduidig kunnen of willen zijn. (Of anders is het geen gedicht. Of heb ik het mis? Eigenlijk zou ik me best een poëtica kunne voorstellen die elke meerduidigheid, bij wijze van anti-thesis, zou weren. Maar ik wijk af.)

Ik waag me aan een intuïtieve inschatting. Voor mij is een ‘speling’: de bewegingsruimte waarover iemand beschikt binnen bepaalde, al dan niet opgelegde begrenzingen. Ik hou het niet langer uit en haal er het woordenboek bij. Een goeie poëzielezer hoort altijd met een woordenboek gewapend te zijn. Schrik ik wel even op van de veelheid aan betekenissen van ‘speling’! Een woord met erg veel ‘speling’, mag ik wel zeggen. Mijn intuïtieve inschatting klopte, maar in de eerste betekenis is een speling ‘een dartele, grillige of verrassende beweging’, ‘een afwijking van het gewone’. En hiermee wist ik het eensklaps: deze zin vervreemdt me door het feit dat ze afwijkt van het gewone, dat het een speling is van het gewone.

En die afwijking wordt niet gegenereerd door de woorden die er staan maar door het aparte gebruik van ‘de leestekens’. Het zijn de komma’s die hier verwarring doen opwekken, die de woorden reduceren tot louter woorden en tegelijkertijd tot zoveel meer. De woorden staan hier centrifugaal opgetekend: los van elkaar en toch bij elkaar. De eigengereide zinsbouw die door de ongewone plaatsing van de leestekens is teweeggebracht, zorgt voor een nieuwe zingeving van de woorden die er staan.

Stel dat Hirs de leestekens er niet zou bij bedacht hebben, dan had er gestaan:

lees je dromen je denken nu

Waarschijnlijk had ik dan (al naargelang mijn humeur en mijn draaien en keren) misschien het volgende gelezen:

Lees je droom, je denken! Nu!

Dat staat er dus niet: er staat een regel met woorden tussen komma’s en op het eind een vraagteken. En ik moet toegeven: nog meer dan van die komma’s is het vooral dat vraagteken dat me deed wankelen.

Ik probeer 'nu' wat orde in mijn binnenste te krijgen over wat ik heb gelezen. Ik probeer me te oriënteren of liever te heroriënteren. Dit is een soort situationistische poëzie: deze zin deconditioneert me. Brengt me aan het ‘denken’ met hoofd, lijf en leden, maakt me los van opgedrongen premissen, van mijn vooroordelen, van mijn zogenaamde persoonlijke veronderstellingen. Het gewone is het gestandaardiseerde, het statische en statistische. Poëzie houdt er eigen maatstaven op na om tot de werkelijkheid door te dringen, om die werkelijkheid te vertalen - en verruimt hiermee paradoxaal genoeg die werkelijkheid.

Logischerwijs staan er in deze regel zes woorden. Maar er staan er zoveel meer. Er staan er ontelbaar en onbereikbaar meer. Heel de Nederlandse taal staat erin en heel de Nederlandse taal gaat erin overstag. Ik overdrijf natuurlijk. Maar slechts een beetje...

Deze regel is een vraag, een open vraag. In deze eerste regel - ik raak er maar niet (tot zeurens toe waarschijnlijk) over uitgepraat - breken de woorden uit hun voegen. Uit de voegen van hun tijdelijkheid (vorm is een ogenblik tijdbreuk zal ze straks elders schrijven.) De woorden worden er ontvankelijker door. Ze stijgen op uit hun betekenissen als luchtballonnen. In der luft, da, da, sind deine Wurzel. Voor de lezer wordt het alvast een luchtdoop. Ik denk niet meer: de woorden bedenken mij. Ze zingen jou, lezer. (Zingen is een poging om zich van de zwaartekracht los te wrikken, luchtballonnen – in al hun nietszeggendheid, in hun ding-zijn, weten dat.)

Want deze regel is ook van een bijzondere hakkelende ritmiek. Zwart op wit muzikaal. Spreek de woorden, lezer, voor jezelf luidop uit, hou je aan de rustpauzes die de komma’s suggereren, inhaleer zo correct mogelijk het vraagteken. Herhaal het, blijf het herhalen en die regel krijgt de allure van een mantra, een bezwering, een verzoek.

Wat een regel, één regel, allemaal niet kan, nietwaar. En die regel staat er – dit wordt nu echt wel het laatste! - er zo horizontaal. De dichter had kunnen kiezen om hem verticaal te plaatsen.

Lees je
droom
je
denken
nu

Nee, zoals het daar staat, helemaal frêle, helemaal precies: een streepje, een bescheiden lijntje.

Deze regel is het startblok en het startschot voor wat verder in de bundel zal volgen en gebeuren. Hirs zwengelt hier de motor van de gedichten aan die zullen volgen. De motor die gaandeweg en in een grootse finale (het slotgedicht In LA) op volle toeren zal gaan draaien. Met veel geronk: in een echt letterlijk te nemen meerstemmigheid. Ik kom er op terug.

Anders gezegd: deze regel met zijn blakend vraagteken is een uitnodiging, een soort invitation au voyage aan het adres van de lezer. Of liever een soort invitation à la danse. Want bovenal beantwoordt Hirs hier aan het statement van de grote Amerikaanse dichter Charles Olson (zoals het werd opgetekend door Ann Waldmann): poetry is dancing sitting down. Zittend dansen. Natuurlijk is deze bundel bijzonder muzikaal opgevat en gecomponeerd. Maar ik geef het toe: het is goedkoop om dat te beweren. Hirs is namelijk een componiste (uit de school van Louis Andriessens.) Maar in de muzikale conceptie van haar bundel doet ze zij zich meer als choreografe voor. Ze brengt de woorden aan het dansen. Ze schrijft gedichten met balletschoentjes aan.

Zij reflecteert constant, woord voor woord. Zij is lijfelijk maar anoniem aanwezig in het creatief proces. (Een lichaam is altijd anoniem, dat weten we sinds Foucault. Al heeft hij het wellicht nooit zo uitdrukkelijk gesteld.) Lijfelijk (met al haar ledematen, haar zintuigen, haar hart - het woord ‘hart’ en het daarop sterk gelijkende woord ‘hert’ valt een aantal keren aan het begin van de bundel) is en blijft zij aanwezig. Ze volgt haar eigen woorden op de voet en in een uiterste grand écart. Ze observeert: ze kijkt. Het is een heel dringende, dwingende vraag die ze haar stelt, ergens in de bundel, Wanneer word ik oog? Het oog - het woord ‘oog’ - loert de hele bundel door. Het oog maakt bewust, het oog denkt, maakt aanwezig: hier vervloekt men niet, hier wordt de lezer veel bewegingsvrijheid gegund. Haar oog waakt daarover.

Dansen is denken in lichaamstaal. Het knutselwerk van de zintuiglijke ervaring. De bouwsels van de zinnelijkheid. En dansen is bewegelijkheid, soepelheid. Haar poëzie is merkwaardig elastisch. Haar gedichten slingeren van zin tot zin, steeds sneller, steeds roekelozer: langzaamaan vervagen de leestekens (in het prozagedicht Weg gebeurt dat zelfs heel expliciet.) Er ontstaat steeds meer ‘speling’ tussen de meerdere betekenislagen van de tekst en de woorden onderling. Tussen het geschrevene en de lezer. Zij legt de echo’s in de woorden bloot en laat herhaaldelijk die echo’s resoneren..

Het lichaam is de grenspost tussen het buiten en het binnen. Het buiten dat we werkelijkheid noemen, het binnen waarmee we in de werkelijkheid staan. We spreken ons vol woorden, we spreken om dit binnenste bij te vullen. Dat bezorgt haar bundel wel iets spiritueels, zij het nooit uitdrukkelijk.

In het volgend gedicht woord tekent er zich een enorme syntaxische speling met de tijd af. Woord en tijd hebben vluchtigheid gemeen. Pijlsnel.

Woord heeft je murw geslagen,
zonder hoofd op wacht in de zin.
Nu was was woord altijd tijd woord,
en moest goed goed en goed zijn -
uit een mond rollen, je optillen,
iets laten zien, verder dan je kan
zinken, zien, dan pas kan je zinken,
zinken in nu nu en nu. Niemand
spreekt daar, niets houdt je tegen,
allen het in-woord, in-binnen-zijn,
waar het leeg, leeg is leeg is
en geen woord vult je -
geen woord alleen, alleen zin.


Al naargelang de bundel vordert en de gedichten langer worden (een regel per gedicht - maar op het laatst laat Hirs dit principe los) lijken de gedichten steeds meer aan transparantie, aan ‘glas’ te winnen, valt er steeds meer, regel na regel, stemmigheid en stemmen te rapen. (Tot hoever en tot hoelang kan je taal materie noemen? In ieder geval taal is materie die een illusie, een vonk van het immateriële kan oproepen: zoiets heet dan poëzie. Hirs schrijft poëzie.)

Hoe meer regels, hoe microscopischer, hoe chip-achtiger dat de gedichten worden: steeds meer doordringend in de diepte van het kleine. De wereld zien in een zandkorrel. DNA. De wereld van deze gedichten is klein maar groots en in die discrete grootsheid, broos:

Laat me klein zijn, iets heel
kleins in je hand, een huisje of
de tekening ervan - waterdicht,
doorschijnend, vederlicht
verdwijnend met je gedachte.

Maak me even zichtbaar,
vul de kleine ruimte met
het spiegelzaadje, het korrel zand,
grijs verleden, in een moment.

Maak me heel wat was,
brand me op. De lont vraagt
het uur - draagt een vuurpop,
eigen kracht. Niets rijst op,
uit mijn as, vannacht.

Laat me heel, ik zou willen
Geef me dan weg uit je hand,
oog en vel, met de tand,
de boog - pijlsnel.


In deze bundel tollen de woorden. Ze tollen tot ze transparant worden, tot ze niet meer zijn na te speuren in het gewauwel. Dat is er wat er gebeurt in het slotgedicht.

In LA (In L’ouis’ A’ndriessens’?) is eigenlijk een auditief/muzikaal experiment. Er hoort een cd bij. Hirs leest de tekst quasi metronomisch en toch sensitief voor. Zij rekt de woorden in haar articulatie uit, laat klanken nazinderen. Die opname wordt dan door elkaar gehaspeld met verschillende kopieën van die opname. Of die ‘dooreenhaspeling’ nu aleatorisch is of beantwoordt aan een bepaald ritmisch ordeningsprincipe heb ik niet kunnen achterhalen. (Ik beschik overigens over te weinig muzikale bagage om dat uit te kunnen maken.) In ieder geval het effect is wel merkwaardig.

Haar commentaar bij deze tekst: We kunnen onze aandacht richten op één spreker binnen een complex van gesprekken en achtergrondgeluiden? Dit psychoakoestische verschijnsel werd in 1953 door E.C.Cherry onderzocht en Coctailparty effect genoemd. ‘We kunnen onze aandacht richt op één herinnering binnen een netwerk van herinneringen en associaties of de herinneringen beluisteren als een spel van wisselende betekenissen. In LA bevat herinneringen van Louis Andriessens en is aan hem opgedragen.

Voor wie denkt dat poëzie boven uit het gewauwel staat, moet maar eens dit gedicht lezen: de poëzie staat hier middenin het gewauwel. Het gewauwel wordt tot poëzie. Hiermee deconditioneert ze heel wat gestandaardiseerde concepten rond ‘poëzie’. Ze staat niet voor een aristocratisch maar voor een democratisch concept van de poëzie.

Ik ben helaas niet (of gelukkig maar) de schepper van hemel en aarde en ik vrees dat ik nog wat themata die in deze liefdesgedichten (want dat zijn het wel) steken, mij ontsnappen. Dat is overigens niet de bedoeling van deze recensie. Je moet deze bundel niet lezen, je moet hem bespelen.

Ik wil evenwel nog iets kwijt over de ‘dartelheid’. Term die in het woordenboek al in de eerste betekenis van ‘speling’ wordt aangegeven. Een van de sterktes van Hirs is de lichtheid waarmee zij haar thematiek behandelt. Dat bewust naïeve dat ze in haar teksten subtiel integreert. (‘Bewust’ zeg ik en niet ‘geveinsd’.) Het kinderlijke dat zij oproept. Soms gevaarlijk tot op de rand van het melige en het sentimentele, zoals in dit fragment.

‘s morgens ben ik weer rond en
klein en weet je dat ik
dichtbij je zal zijn


Ze ontsnapt in andere gedichten dan weer net op tijd aan de meligheid door zich met veel speelse ironie te herpakken. Zo hervindt ze het evenwicht. Zoals bijvoorbeeld in volgend optelrijmpje (optellen is eveneens het procédé, zoals gezegd, waarmee ze haar bundel heeft gestructureerd - een niet zo onschuldig versje dus binnen het concept van de bundel):

0 was er niet

1 is nu
2 komt erbij
3 wist het al
4 van papier
5 een ster voor
6 de liefde ver
7 in leven
8 houdt de wacht
9 op wegen en
10 mij niet gezien


Opgevat als een weefgetouw - een leefgetouw gaf ze als titel voor één van haar gedichten mee - is dit een bundel van onvervalste zijde. Een fijn existentieel rasterwerkje. Van mij krijgt ze mijn zegen en een dikke zeven, nee wacht, een echte acht op tien, wel verdiend.



POËZIERAPPORT: 8 / 10


Recensent: Alain Delmotte

[Speling] - Rozalie Hirs

Querido, Amsterdam, 2005
ISBN 90 214 6734 8 - € 17,95
|