VIERENDEEL - Daniël Dee

Daniël Dee (1975) is een hippe, jonge gozer. Hij koos, in een niet eens zo heel ver verleden, voor een carrière in de dichtkunst. Dat hij helaas niet beschikte over het talent om een gedicht te maken, heeft hem niet op die keuze doen terugkomen. Integendeel. Zijn talentloosheid zette hem juist aan tot het met een enorme verbetenheid zoeken naar een podium, van waaraf hij zijn verzen richting de wereld kon toeteren. Dit podium werd een paar jaar geboden door het sympathieke uitgeversbedrijf Passage te Groningen. Voor Dees nieuwe bundel Vierendeel is het eveneens zeer sympathieke uitgevershuis de Geus uit Breda het haasje.
Het zit die arme mensen uit Breda niet mee, waar het hun Nederlandstalige poëziefonds betreft. Ze hebben eigenlijk maar een echte Nederlandstalige dichter onder hun hoede, en dat is Andrea Voigt. Voor de rest is het treurigheid troef, met auteurs als Ron Elshout, Albert Schaalma en Jana Beranova. Misschien hebben ze gedacht: 'Die Dee, dat is een jonge jongen, die doet het wel goed bij de lezende jeugd, en we laten hem hierna gewoon een roman schrijven, dan halen we de investering er nog wel uit.' Mocht dit zo zijn, dan krijgen ze ongetwijfeld gelijk, maar ondertussen zitten wij, poëzieliefhebbers, opgescheept met dit merkwaardige boekje Vierendeel.
Vierendeel is behalve een merkwaardig boekje ook totaal overbodig, om een favoriet woord van collega Gerbrandy eens te gebruiken (Gerbrandy vindt erg veel poëzie overbodig). Ik heb Dees bundel nu drie keer gelezen en ik heb er, werkelijk waar, geen regel poëzie in kunnen ontwaren. Vanaf regel 1 (mike woonde met zijn ouders boven de patatzaak) tot en met regel laatst ((...)in een longdrinkglas/met zo’n vrolijk gekleurd lullig parasolletje) las ik daarentegen vooral prozazinnen, en niet bepaald prozazinnen van het beste soort. Waarom Vierendeel dan toch als dichtbundel is uitgegeven?
Dee zelf tilt een tipje van de sluier, die er wat mij betreft over zijn werk ligt, op: ‘Ik tracht met mijn poëzie de dagelijkse burgerlijke sleur en middelmaat te doorbreken. Pas wanneer het vanzelfsprekende wegvalt openbaart zich het ware, glorieuze leven in al zijn positieve en negatieve aspecten.’ Waarom willen dichters toch altijd de burgerlijke sleur en middelmaat doorbreken? Waarom willen ze dat niet een keer doen met de middelmaat die ze zelf vertegenwoordigen? Waarom zien ze de burgerlijkheid van een ander wel, maar zien ze de totale levensloosheid van zichzelf over het hoofd? Zouden de slachtoffers van de vermeende burgerlijke middelmaat zich überhaupt iets gelegen laten liggen aan het doorbraak beogende werk van de heer Dee?
Soit. Omdat we laatst een serieus te nemen klacht kregen van een van onze lezers – "(...)ik mis soms aandacht voor het geheel bij critici, die blijven haken in het “dit vind ik een goed gedicht” en uit hun vele “gedicht-ervaringen” tot een beetje algemene lijn komen, maar die niet of nauwelijk iets over de opbouw zeggen (...)” – wil ik het nu even over de opbouw van de bundel zeggen. Vierendeel is onderverdeeld in vier cycli. Geloof het, of geloof het niet: deel I, II, III en IV. In deze vier delen gewordt ons de hele werdegang van een liefde. Van ontkenning, woede en geweeklaag tot acceptatie. Voorwaar een duidelijke opbouw, waarover verder helaas weinig te zeggen is. Waarvoor excuses aan onze trouwe lezer.
Moet ik een gedicht uit de bundel citeren? Ik weet het niet, ik twijfel. Bij twijfel, niet doen, heb ik ooit geleerd. Ik heb het eigenlijk liever over iets anders. Over het gegeven dat het ‘dichterspanel’ van de Poëzieclub deze bundel tot ‘clubkeuze’ heeft benoemd, bijvoorbeeld. Judith Herzberg en Ed Leeflang, samen vormend het panel, zijn toch wel zeer dringend toe aan een nieuwe leesbril. Of zouden ze bang zijn de boot te missen? Raadsels alom. Dan kan ik toch beter een gedicht citeren, en wel dit. Het is een van de betere uit de bundel:
In plaats van
in plaats van gezond glanzende appels
wil ik vet varkensvlees van het spit
druipend langs mijn kin
in plaats van en morgen gezond weer op
wil ik de zon in een liederlijke poel
zien opkomen voelen opbranden
in plaats van beleefd met twee woorden
wil ik vloekend en rauw geen drie zoenen
op mijn wang maar jouw tong in elke kier
in plaats van een dagje madurodam
wil ik jaren zwerven door de ongekende
vlaktes en bergen van mijn eigen geest
in plaats van een mooi bruiloftsorkest
wil ik vals janken op dit ondermaanse
over alles wat ik mezelf heb aangedaan
in plaats van moe gerookte stoflongen
wil ik vuurwater ieder uur versmelten om
weer furieus te herrijzen uit die kolkende lava
Het begint al in de eerste strofe, na de gemakkelijke Pfeijffer-allusie: wil hij nu dat het varkensvlees langs zijn kin druipt, want dat staat er? Dat zal me een vreemd gezicht zijn, waar het varkensvlees, eenmaal tot een semi-vloeibare vorm overgegaan, vanaf druipt. In strofe drie had de dichter beter 'beleefd met twee woorden' kunnen kiezen dan wat hij als alternatief biedt. Want als die tong in elke kier zit, hoe moet hij dan nog vloeken? Of is het Dee die aan het vloeken is, en als hij vloekt, vloekt hij dan vanwege die woorden, vanwege die zoenen of vanwege die tong? De tekst zoals die hier staat, geeft geen uitsluitsel. Verder is het vers, behalve slordig, een invuloefening, en geen erg briljante. Het kan zonder al te veel moeite worden uitgebreid of ingekort. Een euvel waar alle gedichten uit deze bundel aan lijden. Ik vind het niet erg allemaal, maar als 1000 abonnees van een blad dit boekje krijgen toegestuurd als zijnde de beste net verschenen bundel, dan vind ik het eigenlijk wel erg.
En de lol is nog niet op. De al veertig jaar niet meer nuchter geweest zijnde Rotterdamse volkdichter Deelder is eveneens betrokken bij de canard die Vierendeel heet. Als wij de voorkant mogen geloven heeft de oude Jules gezegd: ‘Er zijn genoeg meelopers en na-apers, maar alleen Daniël Dee beschouw ik als een waardig opvolger.’ Ja ja. Op deze manier voltrekken de Geus en Dee een mooi kunststuk. Via een citaat van Deelder krijgt de dichter een air van authenticiteit, en ondertussen laat men Deelder de collega’s (beter: concurrenten) van Dee uitmaken voor ‘meelopers en na-apers’. Ik ben benieuwd waartoe Dees tocht op weg naar de top van de apenrots hem nog zal voeren. En wens hem en zijn uitgevershuis daarbij veel sterkte. Op poëtische kracht zal het niet lukken.
POËZIERAPPORT: 1 / 10
Recensent: Chrétien Breukers
Vierendeel - Daniël Dee
De Geus, Breda, 2005
ISBN 90 445 0689 7 - € 13,95







