BOMBLOESEM - Rense Sinkgraven

Rense Sinkgraven (1965) debuteert met Bombloesem, een bundel die, als we de achterflap moeten geloven, en waarom zouden we dat niet doen, heftigheid paart aan fijnzinnigheid. Ik ben gek op poëzie die deze combinatie weet te bewerkstelligen, dus dat zit wel goed. Bovendien lees ik verderop: Het is poëzie die de dingen bij de naam noemt zonder daarmee eenduidig te worden. In zijn gedichten weet hij grote thema's als liefde, dood en de absurditeit van het bestaan op een treffende manier vorm te geven. Beckett meets Kopland. Eindelijk. Ik sla het boekje open en lees op bladzijde 9 het eerste en meteen titelgevende gedicht Bombloesem:
Uitbottende bom
op fruitschaal
aarderond.
Lief en aaibaar
lig je hier
inktzwarte schil
oogappel
bommetje boem.
Zo vernietigend
als de oudste
geslachtsdaad.
Tijdklok klopt
een hart in penis.
Elke tik
een tinteling
van atomen.
Besprenkeld met
wijwater of
gedrenkt in bloed
noem ik je
Bombloesem.
Draag vrucht!
Verdorie, als dit geen poëzie is, dan weet ik het ook niet meer. Zowel naar vorm als naar inhoud hebben we hier te maken met, wel, een gedicht. Om over de thematische laag (voor zover ik die kan doorgronden) nog maar te zwijgen. Als ik het goed heb, ligt hier een bom in een inktzwarte schil op een fruitschaal te rijpen, zeg maar gerust te rotten. Mij dunkt is het woord aarderond van significante betekenis: hebben wij wellicht met de aarde zelf van doen, nu voorgesteld als zijnde een ei zo na ontploffende bom? Het kan.
Deze bom is zo vernietigend als de oudste geslachtsdaad. Wat een inwisselbaar en afgesleten metafoor. Schrijf 'zo leven gevend als de oudste geslachtsdaad' en het hele gedicht blijft in wezen hetzelfde. Daarna die tijdklok, nu ja, je kunt het mooi zeggen of lelijk, maar ik begrijp wel wat er staat. Waarna de laatste drie regels vallen in de categorie 'ik was net lekker aan het dichten en jemig, kijk nou eens wat er staat!' De slotstrofe zorgt voor wat hoofdbrekens, maar we komen er wel uit. Religie en dood, na de eerste strofes vol Eros en Thanatos.... Heerlijk, vooral door de positieve eindregels, waarin vooral de imperatief gestelde slotregel bijbelse diepte moet suggereren.
Wie nog niet doorheeft dat hier een dichter aan het woord is, wordt door het tweede vers ruw bij de les geroepen. Het heet Friedrich Nietzsche en gaat zo.
Hij kijkt weg.
Denker
‘uitziend op de wereld
met die dubbele blik
die alle grote
inzichten kenmerkt...’
Vrolijke wetenschap.
Ogen die wanhopig
loensen. Lachspiegels
van gemangeld wereldbeeld.
Mijn ziener.
Geen greintje
roze werkelijkheid.
In zijn poëtica (wat een mooi woord is dat toch, poëtica!) Het geheim van het vermoorde geneuzel introduceert Ilja Leonard Pfeijffer, naar aanleiding van de poëzie van Adriaan Jaeggi, het begrip Toffemannenpoëzie: 'Dat is poëzie die van zichzelf vindt dat ze een paar best wel gekke ideetjes en originele gedachten heeft, maar daar laat ze zich niet op voorstaan. Of eigenlijk wel, want ze vindt stiekem dat ze best wel heel erg uniek is met haar unieke kronkelspinsels, maar ze doet net alsof ze vindt dat er niets bijzonders aan is. Ze is heel gewoon gebleven. Althans, als de mensen dat maar geloven.'
Sinkgraven bedrijft, dat kunnen we na twee gedichten zo goed als voor zeker aannemen, van die toffemannenpoëzie. Poëzie, voorts, die zich net zo gemakkelijk bezighoudt met de aarde die naar de kloten gaat, excusez le mot, als met de filosoof met de hamer. En met de liefde, uiteraard, want toffe mannen en de liefde, dat zijn vier handen op een (vrouwen)buik. Dat levert regels op als Jij mij, ik jou./Begeerlijk blauw/je hiphopblik. - toffe mannen zijn namelijk ook op de hoogte van de nieuwste trends.
En ze zijn niet van de straat: Lees Darwin er op na./Survival of the fittest,/voor vrouwen survival/of the tittest – hahahahaha. Want behalve Nietzsche en Darwin passeren de dichter Herman Brood (Zanger is dood.), Arendsoog en Witte Veder (ik Arendsoog, jij Witte Veder), W.F. Hermans (Burcht van Hermans), L.H. Wiener (Hij peilt de diepte/van haar glas) en natuurlijk, want die naam mag bij geen enkele toffe man ontbreken, Charles Bukowski (Waar zijn ze/vechters als jij) de revu.
Bukowski, heus, ik vind dat hij aardige boeken heeft geschreven, maar hij wordt door de minder getalenteerde vakbroeders net iets te vaak als getuige à decharge opgeroepen. Alsof ze willen zeggen: ‘Bukowski maakte er ook wel eens een rommeltje van.’ Waarbij ze dan vergeten te vermelden dat hij waarschijnlijk jaren en nog eens jaren heeft geschaafd voordat hij tot een dergelijk rommeltje wist te geraken. In dat rommeltje, nu, dat Sinkgraven ervan maakt, en in die net iets te toffe toon die wordt aangeslagen, ligt mijn grootste bezwaar tegen deze bundel.
POËZIERAPPORT: 5 / 10
Recensent: Chrétien Breukers
‘Bombloesem’ - Rense Sinkgraven
Uitgeverij De Kleine Uil, Groningen, 2005
ISBN 90 77487 17 4 - € 12,50







