donderdag, september 29, 2005

DRIEVULDIG FEILLOOS VALS - Piet Gerbrandy



Er zijn in de Nederlandstalige poëzie slechts een paar dichters van wie je kunt zeggen dat ze er, eerder dan een eigen stijl, een eigen taal op nahouden. Hun woordkeus, hun grammatica is zo eigenzinnig dat je aan vrijwel elke regel die ze schrijven kunt zien dat hij van hen is. Naast Piet Gerbrandy zou ik Ilja Leonard Pfeijffer en Anneke Brassinga tot die dichters rekenen.

Maar terwijl de talen van Brassinga en Pfeijffer zich vooral kenmerken door speelsheid, taalwellust en ornamentiek, is de taal van Gerbrandy stug, hoekig, karig. Bij het lezen krijgt men het idee dat hij de overbodige welvingen van de Nederlandse woorden heeft afgehakt, om ze precies passend voor zijn gedichten te maken. Hij gebruikt weinig lidwoorden. Het ritme is vaak onverbiddelijk.

Sleepvoet wil je me schoeien?

Loeibek herkauw je mijn kaf?
Boekmaag verteer je mijn gras?
Hangzak zul je me drenken?
Gierput vul je mijn dalen?
Schenkel zoen je de goden?
Mergpijp mest je mijn magen?
Lijmbeen hecht je mijn bladen?
Kromhoorn gil je te wapen?

Slingeraar schoor je mijn pas?

Zeventig gedichten. Drie afdelingen van elk drieëntwintig gedichten, en drie fragmenten, 70 a, 70 b en 70 c. Daarop zal het Drievuldig uit de titel wel slaan. Van de indeling valt verder niets te merken. De gedichten, alle titelloos, passen zonder moeite op één pagina, zowel qua lengte als qua breedte. Onder de pagina staat telkens een éénregelig citaat. Veel van Grieken of Romeinen, zoals we van een classicus als Gerbrandy mogen verwachten, veel van dichters in allerlei talen, veel blues ook. Achterin staat de herkomst van de citaten en de vertaling van sommige. Ook hier toont Gerbrandy zich stug. We blijken geacht te worden Italiaans te lezen, en de man die de meesten van ons Homerus noemen, heet bij Gerbrandy 'de dichter van de Odysseia' Hij heeft ongetwijfeld gelijk.

Het vals uit de titel zie ik als een Kouwenariaans voorbehoud ('De dichter liegt de waarheid'). Op het feilloos valt niets af te dingen. Gerbrandy doet wat Gerbrandy moet. Hij gaat daarbij voor niets uit de weg. Hij doet nergens concessies.

In een essay van vorig jaar Het onslechtbare dat ons omgeeft, in De Revisor, heeft Gerbrandy zijn poëtica overzichtelijk uiteengezet: Bij poëzie gaat het in eerste instantie om beleving, pas in tweede instantie om reflectie. Bij die beleving staat de persoonlijkheid van de dichter centraal. Van de reflectie uit verschillende hoeken heeft hij weliswaar uitgebreid kennis genomen, maar zijn eigen poëzie is er niet door aangeraakt. Hij weet wel wat postmodernisme is, maar hij ziet het belang niet. Hij heeft er geen tijd voor. Net zo min als hij tijd heeft voor Spielerei en kunstjes. Nee, Gerbrandy moet aan het werk. Hij moet het sublieme trachten te bereiken.

Het is interessant welk beeld Gerbrandy voor het sublieme neemt: Peter Brötzmann, een saxofonist die al decennia lang genadeloze free jazz maakt. De titel van diens bekendste plaat, Machine Gun, geeft een redelijk beeld van zijn speelstijl. Agressie, hysterie en orgasme.

De ervaring van het lezen van Piet Gerbrandy is in eerste instantie eenduidig. Soms heb je het idee steeds maar door te lezen in hetzelfde gedicht. Dat komt door die eigen taal. De klanken lijken vooral met elkaar bezig. Het schuren van de medeklinkers, zeker bij hardop lezen, is zo nadrukkelijk, zo anders, dat het alle aandacht voor zich opeist. Veel lijkt zich af te spelen in zompige bossen, waar slechts groenig licht valt. Een wereld waarin mannen moeizaam en wars een bestaan opbouwen. Vrouwen, dat is een ander verhaal, er is natuurlijk lust, koortsig, zweterig, kortstondig, maar verder spelen de vrouwen nauwelijks een rol.

Plotseling springen zinnen uit de gedichten op die zo pakkend zijn dat ze tot doorlezen dwingen. Hij is een vadsig voorwerp dat niet hoeft; In klei wroet gewei naar verblinding; De houtworm knaagt gestadig aan zijn nachtlied. Het slot van een gedicht is zo precies, zo meeslepend, dat het vermoeden rijst dat er in deze poëzie veel meer te beleven valt dan de textuur van de taal alleen.

Kijk niet om klem je kist pak je
boek sta niet op voor wie sterft

voor wie sterft van bezit


Langzaam maken de gedichten zich van elkaar los, krijgen binnen hun zeer bepalende omgeving hun eigen karakter, hun eigen verhaal.

Plant je kwade pleiter in haar kuiptroon
dat ze smakt naar natte koek
en doeken voor vocht uit haar

sprekende gapingen houd haar in levende
slaap want nooit weet je. Haar laatste
kuch biedt zicht op slechte vrijspraak.

Kokkels verrekken te sterven in pannen
op tafel verwerven ze misbaar van aas
verkiezend gierwijf.

Oesterslijm op je driedelig je strop van togende
zijde je baardje van snot maar

blaam treft slechts wie verwekt bij een schandelijke dier.

Uiteindelijk blijkt elk gedicht in de hele bundel op eigen benen te kunnen staan. Wie zich de taal heeft eigen gemaakt ziet allerlei verschillen in sfeer en klank, in decor. Subtiel zou ik de verschillen niet willen noemen. De indruk van zoveel taalconcentratie is verpletterend. Gerbrandy is geen dichter voor de teren van geest, voor de wankelmoedigen.

Ik vermoed dat Piet Gerbrandy bundel na bundel noest zal voortwerken en zijn weerbarstige poëzie uit zijn knoestige taal zal blijven beitelen. Veel variatie zal er niet ontstaan. Een nieuwe taal zie ik hem vooralsnog niet ontwikkelen, vergezichten zullen zich niet ontvouwen. Maar dat is ook zijn bedoeling niet. Gerbrandy klauwt zich een weg naar het sublieme. Hij zal het nooit bereiken, dat weet hij van tevoren. Maar hij zal er zeker nog eens de P.C. Hooftprijs mee winnen.


POËZIERAPPORT: 9 / 10

Recensent: Han van der Vegt


'Drievuldig feilloos vals' - Piet Gerbrandy
Meulenhoff, Amsterdam, 2005
ISBN 90 290 7637 2 - € 13,50
|