DE MOOISTE GEDICHTEN - Leo Vroman

Uitgeverij Nieuw Amsterdam gaf onder auspiciën van Stichting Hollands Maandblad De mooiste gedichten van Leo Vroman uit, met een keuze uit de ongeveer 160 bijdragen die de dichter schreef voor Hollands Maandblad. Het is een prachtig boek met mooie tekeningen van Iris le Rütte en je vraagt je dan ook af of het nodig was om het deze misleidende titel mee te geven. Immers, De mooiste gedichten van Leo Vroman is een andere bundel, waarin uit het volledige oeuvre van de dichter een keuze gemaakt wordt en niet alleen uit de poëzie die in Hollands Maandblad heeft gestaan. De onjuiste titelkeuze doet echter niets af aan het feit dat we hier te maken hebben met een bloemlezing die er zijn mag.
Leo Vroman is een eigenzinnig dichter die zich nooit inliet met enige literaire modegril. Op allerlei manieren heeft men zijn werk proberen te bestempelen en te koppelen aan stromingen, maar telkens bleek het te veel op zichzelf te staan; terwijl de algemene opvattingen tijdens het leven van de nu 92-jarige dichter drastisch veranderden, bleef hij consequent trouw aan zijn manier van werken. Hij werd zes jaar na M. Vasalis geboren, drie jaar na Adriaan Morriën en negen jaar voor Hugo Claus en Remco Campert. Zijn gedichten rijmen meestal, gaan over eeuwige thema’s als liefde en dood en toch hebben ze altijd een lichtheid waar veel jongere collega’s jaloers op zouden kunnen zijn. Vroman experimenteert erop los en lijkt zoveel mogelijk variatie na te streven.
In het historische interview met H.U. Jesserun d'Oliveira, dat werd gepubliceerd in Scheppen riep hij gaat van Au (Polak & Van Gennep, 1965 Amsterdam) zei hij: ‘Het is het geheel waar het om gaat, en hoe meer kans je hebt om de onderdelen te herkennen of te erkennen tenminste, ook al begrijp je ze niet, hoe meer liefde je kan hebben voor alles wat bestaat. Om dezelfde reden bijvoorbeeld geloof ik dat we een ontzettende hoop missen als we ons hebben opgelegd dat we joods, katholiek of atheïst zijn. Het verlies dat door het hebben van een ... sommige principes in ieder geval, geleden wordt, is geloof ik ontzettend groot en ik geloof dat de tijd wel komt dat iets dergelijks wordt beseft en dat de wisselvalligheid meer aanbeden zal worden dan één ding.’
Leo Vroman is in zijn streven naar het alomvattende ook in zijn poëtica ruimdenkend. Hij is dat als het gaat om de vorm en als het gaat om de inhoud. Hij gebruikt, zoals gezegd, wel eindrijm, maar hij doet dat uit de losse pols, zonder op de regellengte te letten. En als hij eens geen rijmwoord vindt, dan rijmt hij gewoon niet. Maar hij is ook niet bang om af en toe wat rijmdwang te etaleren. Heel duidelijk merk je dan dat het tweede rijmwoord werd opgeroepen door het bijbehorende eerste. Er komt bijvoorbeeld een omslachtige beschrijving in de plaats van een eenvoudig woord, zoals in ‘Hotel Valmonte, Berg en Dal, 4 mei 1980’ (blz. 71):
Het warmste wat ik mij dan voor kan stellen
zijn je stem, je rode en witte cellen,
je vlees en bloed waar ik verwoed van houd.
Het gaat over bloed maar de dichter heeft het over ‘je rode en witte cellen’. Het woord ‘bloed’ staat in de volgende regel. Ook moet hij om te kunnen rijmen soms zelfs een nieuw woord bedenken zoals in ‘Ware liefde’ (blz. 106):
Wat was de doos computerpapier
met de stapel boeken waar die naast staat
toch opeens een hele dorpsstraat
met zijsteegjes voor het pootjesdier!
Uit het gedicht wordt duidelijk dat het bij ‘pootjesdier’ om een muis gaat. Maar ‘muis’ rijmt niet op ‘papier’. Rijmdwang wordt over het algemeen gezien als iets wat vermeden moet worden. Maar Vroman komt ermee weg. Sterker nog, de dwang maakt zijn gedichten aantrekkelijker. Hij maakt dat we de dichter even aan het werk kunnen zien, als een mens van vlees en bloed. Zoals het geluid van de ademhaling dat doet bij een fluitist. En het witte stipje verf in de pupillen van een zelfportret bij een schilder.
In de vorm stelt Vroman het organische duidelijk boven het rationele. De natuur is bij hem meester over de cultuur. Als toeval de regie in handen dreigt te nemen, geeft de dichter het speelvlak vrij. Soms pakt dat komisch uit en soms ernstig. En soms weet je niet wat je ervan moet denken. De meest alledaagse onderwerpen, maar ook de hogere filosofische thema’s worden allemaal gevat in spreektaal met eenvoudige woorden als ‘ik’, ‘wij’ en ‘liefde’. Precies dit maakt dat zijn gedichten ook in 2007 nog steeds heel eigentijds overkomen. Zelfs in de gedichten die hij als negentigjarige schrijft, is er geen oude man aan het woord, maar een vitale geest, die zich uitdrukt in heldere beelden. Ik beminde als kind niets anders / dan de vertrouwde kleine handen / de grijpende vingertjes van de / kleine zachte salamanders, (blz. 156). Het zijn sprankelende regels van deze dichter, die ook bioloog is. Er spreekt een jeugdige verwondering uit over de natuur. Maar ook het grote inzicht dat wij als product van de evolutie organismen zijn onder organismen. En misschien plaatst het tezelfdertijd een vraagteken bij ons evolutionaire identiteitsdenken, want als wij zo graag de dieren willen aaien en strelen, wat let ons dan gewoon maar te denken dat we zijn net als zij? Het gedicht sluit af met de regels: de miertjes met hun goddelijk wonder / van schattige doelmatigheid / wandelend over mijn rimpelhuid / en ik voel het geluid / van hun verhalen / over die hete wereld van mijn hand: / hoe schaars begroeid dit avondland / was om in te verdwalen. De ‘hete wereld van mijn hand’ is niet alleen de huid met haren waarover de mieren lopen. Dat ‘van mijn hand’ kan ook gelezen worden als ‘door mij geschreven’. De mieren vertellen over die geschreven wereld. Ze maken er deel van uit. Ze zijn die wereld ook; papieren mieren. En Vroman is hun schepper.
Komisch soms en dan weer ernstig. Dat zijn ook de zes fabels uit 1978 (blz. 41 e.v.). Ze hebben titels die doen denken aan Les Fables van Jean de la Fontaine (‘L' Amour et la Folie’, ‘La Cigale et la Fourmi’) en worden telkens afgesloten met een heus epimythion, oftewel de moraal in spreukvorm, gelijk de oude Grieken ze schreven. ‘Steen en brood’ is de titel van de derde fabel (blz. 44): Er lag een keisteen in een beek / die nogal op een broodje leek. // ‘Ach was ik toch maar net zo zacht’ / dacht iemand dat die steen dus dacht. // Maar die steen lag rustig voort : / die had nog nooit van brood gehoord. De fabel gaat verder en eindigt dan met de verrassende spreuk: Mensen, met hun zachte lijven, / snijden zelfs elkaar aan schijven.
De mooiste fabel is wat mij betreft ‘Het vlees en ik’ (blz. 49). Het gedicht heeft iets van een navrante remake van ‘Het kind en ik’ van Martinus Nijhoff.
Er drijft een meisje in de sloot.
Volgens haar mondje is ze dood,
maar volgens haar palingen en wormen
leeft zij voort in wilde vormen.
Het tafereel wordt zonder enig mededogen verder uitgewerkt. De fabel sluit af met de regels:
Nu legt ze met een dode hand
haar vlees terug in mijn verstand
zodat zij die van neus tot naad
nog nooit bestaan had, nu bestaat.
Het beeld van het meisje in de sloot wordt zo gruwelijk mogelijk gepresenteerd. Het effect dat de dichter daarmee bereikt, wordt vervolgens afgezwakt als hij de lezer geruststelt met de suggestie dat het slechts een hersenspinsel betreft. Maar de geruststelling werkt dan nog maar mondjesmaat, want – en daarvan zijn we maar al te goed doordrongen - er liggen in de werkelijke wereld van Peter R. de Vries nu eenmaal dode meisjes in sloten, daar veranderen ook deze verzen niets aan. Grappig en gruwelijk tegelijk. Een ironisch horrorgedicht. De fabel sluit af met de moraal: Treur net zo flink om wat vergaat / als om wat al dan nooit bestaat. En dan nog een andere: Lees – als jij mij wilt verstaan - / niets, maar kijk eens iemand aan.
De afgelopen tien jaren schreef Vroman ook zijn eigen psalmen. Daarin richt hij zich tot ‘Systeem!’. Dit ‘Systeem!’ is zoiets als het goddelijke universum bekeken door de ogen van een natuurwetenschapper. Het woord wordt consequent geschreven met een hoofdletter, net als het archaïsche ‘Gij’ dat ernaar verwijst. In de psalmen snijdt de dichter thema’s aan die betrekking hebben op de evolutie c.q. de schepping, het leven en de dood. Het lijkt erop dat hij een vorm heeft gevonden voor zijn religieuze fascinatie en zijn angst een ontzettende hoop te missen als hij zou kiezen joods, katholiek of atheïst te worden. Enkele van de psalmen werden in Hollands Maandblad gepubliceerd en opgenomen in De mooiste gedichten. De eerste psalm heet ‘Een psalm voor rondheid’ (blz. 132). Het is een ode aan de driedimensionaliteit. Er staan mysterieuze zinnen in:
Systeem! Als gij bewogen had,
één micron maar, of minder,
werd ik nooit vlees voor beest of bad
(…)
een uitgewalste pagina
van tekst zo ongegrond
dat er op een briesje na
geen keerkant van bestond.
(…)
hoe als ik sterf in deze straat
van schemering het licht aan gaat,
toch weer, en weer daarna
en dat, zoals een mens bestaat,
ook ik besta.
Je moet een goed acteur zijn als je na lezing van dit imponerende gedicht zonder blikken of blozen kunt blijven volhouden dat Vroman zo’n toegankelijk dichter is. De psalm is ernstig, een existentieel statement, met een knieval voor het Systeem, waarin de dichter bestaat en schept. De inhoud ervan is een heel andere dan die van bijvoorbeeld de fabels, maar toch is hier onmiskenbaar dezelfde dichter aan het woord.
Vroman is in al zijn gedichten manifest aanwezig. Dankzij zijn karakteristieke geluid hoeft hij zichzelf geen beperkingen op te leggen. Taalspelletjes, rijmgrapjes, briljante formuleringen, grote gedachten, ze kunnen in deze poëzie allemaal naast elkaar bestaan. Wie De mooiste gedichten leest, merkt dat ze zelfs op organische wijze lijken samen te smelten. Tot één systeem als het ware. Het Systeem wellicht.
Recensent: RONALD OHLSEN
De mooiste gedichten – Leo Vroman
Hollands Maandblad & Nieuw Amsterdam, 2006
ISBN 90 468 0159 4 - € 16,50







