ERATO - Jane Leusink

HOE KLAPT JOUW ENE HAND?
Een docent letterkunde van me, al jaren gepensioneerd, gaf onlangs een lezing voor een gehoor dat voornamelijk uit oud-leerlingen bestond. Hij heeft waarschijnlijk op al zijn leerlingen een onuitwisbare indruk gemaakt, hetzij in negatieve, hetzij in positieve zin: de laatste categorie zat in de zaal. Het is zo’n man van de oude stempel, wars van moderne fratsen, die ten behoeve van zijn lezing wekenlang onafgebroken bezig was geweest om het gedicht dat hij zou gaan behandelen tot op het bot te analyseren. Lettergrepen, vocalen, woord- en rijmsoorten waren geteld en gerubriceerd, elk woord was in minstens zes verschillende woordenboeken, concordanties en / of encyclopedieën opgezocht en alle mogelijke literaire, historische en biografische invloeden op het gedicht waren in kaart gebracht en in een geïllustreerde hand-out aan de belangstellen uitgereikt. Na afloop verzuchtte de goede man dat hij helemaal aan het eind van zijn Latijn was; hij had al zeker twee weken nauwelijks geslapen van de zenuwen. "Waarom?" vroeg ik, verbaasd dat een alom gerespecteerd docent zich nog zo druk maakte over de mening van derden. Wie moest hij nu nog imponeren? Wie kon hij nog teleurstellen? "Wie wilt u dan behagen?" vroeg ik – behagen was het verkeerde woord, verbeterde hij – "De schrijver," luidde zijn antwoord, "ik wil de schrijver recht hebben gedaan."
Een nobel streven, zeker ook bij het schrijven van een recensie, die ik liever stug leesverslag blijf noemen en die in dit geval een soort leesverantwoording wordt. Om te beginnen doe ik mijn huiswerk. De reeks 'Spaanse hond' is geschreven bij de deuren van de kathedraal van Santiago de Compostela, naar aanleiding van het gedicht 'Ademnood' van Remco Ekkers (uit De Alice voorbij, 2004). Dus dat lees ik. Daarnaast bekijk ik plaatjes van de gebeeldhouwde taferelen rond de poorten van de betreffende kathedraal. Op het internet vind ik een foto van de grafsteen van Leo Cukier, aan wie het 'In memoriam' aan het begin van de bundel is opgedragen. Dezelfde Franse afscheidstekst staat op zijn steen, ontdek ik. Wikipedia leert me dat Anselm Hollo, auteur van het motto van de bundel, docent creative writing is geweest aan maar liefst achttien verschillende instellingen voor hoger onderwijs. Niet dat ik met dit alles veel opschiet, maar ik wilde het gewetensvol aanpakken.
Want lezende en herlezende had de ik in mijn opschrijfboekje steeds kregeliger commentaren neergekrabbeld. Was Leusink opeens zo anders gaan schrijven? Ik pakte mijn enthousiaste recensie van Mos en gladde paadjes erbij en ontdekte tot mijn verbazing, dat juist de kenmerken die me daar zo goed bevielen, me nu irriteerden. Was ik zelf dan zo veranderd? Binnen een jaar? Tijd om mijn beoordelingsvermogen kritisch onder de loep te nemen. Gelukkig was Jane Leusink me ook dit keer weer ter wille door me een tekstbestand ter beschikking te stellen, waarop ik een concordantieprogrammaatje kon loslaten, teneinde mijn algemene indrukken te verifiëren en tastbaarder te maken. Maar natuurlijk pas na registratie van die eerste indrukken:
Ten eerste struikelde ik over de elliptische of anderszins ongrammaticale zinnen. De bedoeling van deze stijlfiguur is dat de context zwaarder gaat wegen dan de tekst. Maar vreemd genoeg wordt bij mij steeds de associatie gewekt met lyriek uit de Duitse romantiek, wat vast niet de bedoeling is. Bovendien moet je altijd zorgen dat een stijlfiguur geen stokpaard wordt – tenzij je het bewust als struikelblok inzet. Gaandeweg, al struikelend, zal ik gaan te vermoeden dat het laatste het geval is.
Een tweede stijlfiguur die uitgehold raakt is de alliteratie. Zoals in dit fragment uit 'Ostrea Gigas' (blz. 23):
Van rechts zwommen veertig vissen deze
monden binnen, hunkerende kelen
evenzoveelmaal betast, gorgelden gulzig
als afvoerputjes. Lome lichamen
in een crème van saffraan, dobberende
plekken in de zomer, vergeten het visbestek.
Amuse-gueule. Wij wentelden om, in bouillon
van grijze garnalen maakten wij er honderdtachtig
graden van, spoelden aan.
Onze zinnen begonnen te brabbelen, wij wisten
ons boven noch onder of van opzij, boter
zacht de canapé en peterselie
rondom zogen wij met kleine geluidjes,
slikten van achter hoge ruggen tot
wij niet meer konden, herkauwden,
hielden onze platte buiken vast.
Veertig vissen... gorgelden gulzig... lome lichamen... begonnen te brabbelen... vergeten het visbestek... grijze garnalen... het wordt me allemaal wat te veel. Nu ben ik een welwillende lezer die bovendien weet dat Jane Leusink niet van gisteren is, dus wellicht doet ze dit inderdaad met opzet. Maar waarom?
Ten derde ergert een mens zich bij anderen nog het meest aan zijn eigen (on)hebbelijkheden. Zelf ben ik mij regelmatig te buiten gegaan aan bijbelse en klassieke motieven, maar een ander mag zich daarin van mij niet vergalopperen: het oude verhaal van de splinter en de balk. Ik gun Leusink de geleende motieven niet, die ze achteloos in vertaling of als verwijzing tussen haar regels stopt: deze rouw siert ons niet op bladzijde 23, de buitenste duisternis op bladzijde 41, over ruwe dingen naar de sterren op bladzijde 46. Het ligt er té subtiel dik bovenop, zoals bij een kennis van me die een design zonnebril koopt en dan het protserige gouden logo met zwart weglakt. Schmieren voor insiders. Statements voor snobs.
Ten vierde, in het verlengde daarvan: name dropping. Hanomag. Sheaffer. Irouléguy. Bourgogne Vézelay. Fokker Friendship. Calvin Klein. Hugo Boss. Marlboro. Volvo (480). Jaguar (xjs v12 British Green!). Een gruwelijke retorische trend. O ja, hij toont ons de vervangbare identiteit in een door multinationals gedomineerde samenleving, de volkomen vergankelijkheid der dingen, die niet meer zijn wat ze zijn en hun eigen naam dragen, maar worden gerangschikt onder namen van bedrijven die morgen weer door andere bedrijven worden opgeslorpt. Geen naam is meer heilig, eenieder die voor de zoveelste keer zijn e-mailadres heeft moeten wijzigen omdat z’n provider weer eens werd overgenomen zal dit beamen. En daarom plakken dichters tegenwoordig hun eigen vervangbare en vergankelijke etiketjes op de tijdgeest.
De vijfde Stolperstein is het jargon, dat ik in mijn recensie van haar vorige bundel nog bejubelde omdat het uitwaaierde naar verschillende registers, maar dat nu blijft steken in chique Frans, met name casino- en gastronomische terminologie, (amour fou, cercle privé, beau monde, domaine, amuse-gueule, entrée, pièce), trendy Engels (huge, sexy aftertaal, hotshots, full swing, afterparty, from scratch) en een exotische dosis Russisch voor op reis. Er wordt overigens heel wat afgereisd en virtueel of anderszins vakantie gevierd. Het wekt allemaal een overdreven geprivilegieerde indruk: de dichteres mixt, naar het schijnt opzettelijk, een dodelijk vervelende cocktail van zelfvoldane decadentie met de smaak van overdaad.
Haaks daarop staat het spervuur van zoeken en vragen dat ik door de hele bundel heen ervaar. Nu wordt het tijd om te tellen: In een bundel van zestig bladzijden vind ik 45 vraagtekens. Is dat bovengemiddeld? (Ter vergelijking, Mos en gladde paadjes, van vergelijkbare dikte, telde er zestien.) Vormen van zoeken tel ik zeven keer (minder dan ik verwacht had) en de klapper is 'moeten': 21 x 'moet(en)' + 12 keer 'moest(en)'. Dat dempt de vakantiepret behoorlijk. Maar haalt het de materialistische toonzetting onderuit? Nee. Het zijn immers juist verwende en gevestigde mensen die zich de luxe van, al dan niet spirituele, zoektochten en zweefkezerij kunnen veroorloven.
De spirituele component is ruimschoots aanwezig, niet alleen in de traditionele pelgrimstocht naar Santiago, maar ook in Meister Eckhart, de Duitse theoloog en mysticus die in twee gedichten opduikt, het woord God (met hoofdletter) dat in de reeks 'Amor Fati' maar liefst zestien keer voorkomt, plus nog twee keer daarbuiten – en dan hebben we het alleen over specifieke gevallen (match whole word only). Het 'zoeken' en 'moeten' geeft daarnaast nog een minder tastbare of telbare spirituele dimensie.
In mijn vorige recensie schreef ik dat Leusink wegkomt met Grote Woorden, maar deze keer was ik opeens minder begeesterd en stootte me aan dingen als 'ziel' (zeven keer), 'liefde' (twaalf keer), 'dood' (tien keer) – enfin, nu is het dan welletjes met de woordentellerij. Want de vraag die eigen leesgedrag me genadeloos voor de voeten werpt is: Waarom vond je het eerst wel mooi en nu niet?
Ik mag het concordantieprogrammaatje in zoverre dankbaar zijn dat ik mijn analyses niet op biografische gegevens van de dichteres of de religieuze identiteit van haar uitgever baseer. Dat zou te gemakkelijk zijn. Bovendien analyseerde ik tot zoverre alleen nog wat voor het grijpen lag. Wat minder voor het grijpen ligt is het gebrek aan coherentie dat ik bij deze bundel voel. Typeerde ik haar vorige bundel nog als een organische leeservaring waarin een harmonische meerstemmigheid te horen is, in deze bundel lijken zowel het organische karakter als het harmonische gehalte zoek. Ten eerste omdat, door de culinaire thematiek, een groot deel van de aanwezige natuur bestemd lijkt voor menselijke consumptie. Ten tweede omdat de 'meerstemmigheid' met name tot uiting komt door weinig coherent gespring van persoon naar persoon, zoals in 'Wij gaan de tafels langs' (bladzijde 20):
Wij gaan de tafels langs
Kijk, verschroeid is de hand van de vrouw
om de inzet, daar het zweten van aannemers,
de kleine Chinees met het zwartste geld ooit
verhingen zich allen in uren geteld aan ernaast,
achter hun ruggen gebeurde het, zij snapten
niets, als ze waren gebleven was
het uitkomen overgegaan.
In acht regels ontmoeten we 'wij', 'de vrouw', 'aannemers', 'de kleine Chinees' en 'zij' die elkaar hier en daar wellicht overlappen, maar je raakt alras in verwarring. Het lijkt moedwillig, want in dezelfde reeks met de titel 'Faites vos jeux' vinden we als eerste gedicht 'Geen slaap of fata morgana hier” (op bladzijde 19) waarin wordt gesteld:
Het perspectief verschuift voorgoed in de ogen
van een man, de spiegel verduistert uitzinnig,
uitbundig de gretigste blik uit het lichaam
voor altijd verschanst in cercle privé, herinnering
aan nacht in dag gestoken toen alles
onder een andere naam begon te bestaan.
Het is vast die voortdurende verschuiving en verduistering, die door de hele bundel rondwaart, waardoor ik het gevoel kreeg dat vormen van 'zoeken' veel vaker in de bundel voorkwamen dan ze daadwerkelijk deden. Subtieler, maar even storend, zijn de plotselinge registerwisselingen in sommige gedichten, die werken als vlaggen op modderschuiten - of keutels op roomtaarten zoals mijn oma het noemde, hetgeen natuurlijk precies het tegenovergestelde is; beide procédés worden in de bundel toegepast. Daarnaast vormen onbekende woorden een veel toegepaste hinderpaal: zowel neologismen als extreem specialistische of 'gereanimeerde' woorden: 'aartsen', 'brakkend', 'alabast', 'bittert', 'aanzwijgen'...
Deze dissonanten, plus het diffuus verstrooien van de stemmen, het patchwork van klassieke en bijbelse emblemen, de thematische clash tussen materiële zelfgenoegzaamheid en spirituele onvrede... het zijn allemaal stijlmiddelen die misschien niet grootschaliger, maar toch zeker opzichtiger worden ingezet dan in de vorige bundel. Langzamerhand durf ik te concluderen dat Leusinks poëzie hermetischer is geworden, in die zin dat ze haar taal welbewust aan syntactische afkalving ten prooi laat vallen en de meerstemmigheid in deze bundel dissociatiever toonzet dan in haar vorige.
Ooit werd ik voorgesteld aan een man die, hoewel ik daar niet van op de hoogte was, volkomen psychotisch bleek. Hij sprak Spaans, een taal die ik prima beheers, maar opeens niet meer kon volgen. Waarschijnlijk omdat hij zich bediende van mij onbekende (veelal zelfverzonnen) woorden en woordcombinaties. Bovendien combineerde hij die vage taal met directieve tussenwerpsels en een uitgesproken commanderende toon. Eerst vroeg ik me verward af wat er nu opeens mis was met mijn Spaans, vervolgens begon ik aan mijn verstandelijke vermogens te twijfelen. Later ontdekte ik dat geestelijk gestoorden je wel vaker het gevoel geven dat jij zelf 'van de wereld' bent. Dat je niet spoort. En dit ontspoorde gevoel bij de lezer is volgens ingewijden het nieuwe echtheidskenmerk van goede poëzie.
Maar de psychotische Spanjaard heeft voor mij nooit andere deuren geopend dan die naar de angst en de onmacht. Daarom ben ik niet zo’n fan van deconstructie. Waarschijnlijk ook omdat mijn leesstrategie (het volgen van sporen, het zoeken van bronnen) niet geschikt is voor poëzie die from scratch gelezen moet worden. Zodat de ander in de tekst voor mij niet zichtbaar wordt, maar een schimmige figuur blijft, een psychoot, een spook dat je op de loop jaagt of juist aan de grond nagelt. Het is bovendien de vraag of je de dichter in zo’n schimmenspel van losse ledematen nog 'recht kunt doen'...
Zoals Leusink zelf schrijft: Hoe klapt jouw ene hand? Als een slag in de lucht, neem ik aan. Als dit leesverslag, geschreven in de wetenschap dat mijn verwarring voor velen een aanbeveling zal vormen om de bundel te gaan lezen.
Recensent: Catharina Blaauwendraad
‘Erato’ – Jane Leusink
Mozaïek, Zoetermeer, 2005
ISBN 90 239 9160 5 - € 13,50







