dinsdag, juni 12, 2007

RECEPTIE - Vrouwkje Tuinman



1.

Het begint zo: je leest Receptie, de inmiddels enige maanden geleden verschenen tweede dichtbundel van Vrouwkje Tuinman. Je doet dat met enige reserve, want je herinnert je de lectuur van de voorganger, Vitrine, en die viel je toen – een enkele sprookjesachtige uitzondering daargelaten – niet mee. Je neemt je voor om iets over de bundel te schrijven, maar dat komt er niet van. Ondertussen lees je wel hoe de kritiek over de bundel bericht. Je leest:

In haar zeer compacte, doorgestructureerde, maar ook sterk associatieve gedichten is de verstaanbaarheid enigszins naar de achtergrond gedrongen. Al was het maar omdat zij enerzijds scherpe portretten van mensen in haar poëtische vitrine etaleerde en zélf min of meer buiten schot bleef.’ Wat je mooie bespiegelingen ingeeft over schiettenten, op een kermis, in het kermisseizoen. Je leest ook:

Het wankele evenwicht tussen onderkoelde effectiviteit en al te herkenbare sentimentaliteit, dat in het openingsgedicht op een spannende manier in stand blijft, raakt in de loop van de bundel steeds meer verstoord.’ Een nieuwe koelkast, die zou je ook wel kunnen gebruiken. Maar wat is een ‘al te herkenbare sentimentaliteit’? Een sentimentaliteit die het masker, dat zij per ongeluk droeg, waardoor zij onherkenbaar is geworden, heeft afgezet? Je leest verder:

De zoektocht naar antwoorden op de levensvragen maakt Receptie tot een wat beklemmende bundel.’ En: ‘Tuinman heedt een aanstekelijke manier van formuleren: nuchter en geestig, al zijn niet alle 32 gedichten in deze bundel meteen te vatten.’ Beklemmend – dat is, samen met ‘verontrustend’, de nieuwe hit uit het recensentenwoordenboek. Een roman of een dichtbundel die niet beklemmend of verontrustend zijn, zij bestaan niet. Helaas krijgt Tuinman wel het verwijt dat niet alle gedichten ‘meteen te vatten’ zijn. Iets wat bij poëzie wel vaker voorkomt, zou je denken; maar nee. Nog eentje:

Vrouwkje Tuinman observeert en noteert. Haar zinnen zijn vaak onaf, stamelend, wat de bangigheid nog versterkt. Zelden klinkt emotie, behalve als het gaat over de geliefde, maar ook dan is de vrees dat de luttele mooie dingen van het ware leven voorbij gaan nooit ver weg.’ Gelukkig maar. Stel je voor: zij zou eerst noteren, en dán pas observeren. De wereld zou op zijn kop staan. Hoe dan ook: je kunt nog een aantal willekeurige passages uit recensies plukken, het moment waarop je zelf iets moet gaan zeggen voortdurend voor je uitschuiven; maar dat is een al te gemakkelijke truc.

2.


Je slaat de bundel open en leest de eerste strofe van 'Overige bestemmingen':

Mijn antwoordapparaat geeft ieder jaar september een felicitatie
en de tussenstand van wie er dood en wie daar nog mee bezig is.


Deze versregels geven mij een onaangename sensatie, vergelijkbaar met een tik op een grammofoonplaat of een krasje op een cd. Ik kan er ook niet overheen lezen, zeggende tegen mijzelf: 'Kom, dit is poëzie, dat doen dichters wel vaker, dat ze de grammatica dooreen-husselen. Bovendien mag je niet op elke slak zout leggen.' Ik blijf maar denken: 'Hoe zit dat nou zijn als Tuinman het woord "stierf" had gebruikt. Dan kreeg je een andere strofe.' En wel deze:

Mijn antwoordapparaat geeft ieder jaar september een felicitatie
en de tussenstand van wie er stierf en wie daar nog mee bezig is.


Welke van deze twee de 'mooiste strofe' is? Kies je voor de quasi-dichterlijke oplossing van Tuinman, of voor het vlakkere – en inderdaad niet geheimzinnige 'stierf', waar ik, menende dat de grammatica alleen op meesterlijke wijze geweld aan mag worden gedaan, voor zou kiezen? Is het, verder redenerend, niet zo dat juist in deze eerste strofe, waarin de dichter iets van haar aanpak duidelijk maakt, dat deze strofe zelfs de kern bevat van wat wij, de lezers, wel of niet van haar accepteren? Dat moet nog blijken.

3.


In de loop van de bundel blijkt dan dat de poëzie van Tuinman, ondanks de eerste strofe, ondanks de grammaticale malligheid die verderop in het boek her en der wordt herhaald, meer voorstelt dan de eerste indruk doet vermoeden. Dat ik, ondanks deze positieve wending, niet onbelemmerd enthousiast kan zijn over de bundel als geheel en over de meeste losse gedichten op zichzelf, zal ik proberen duidelijk te maken aan de hand van het gedicht 'Als we alles wisten', het slotgedicht:

Alleen met ogen dicht kan ik nog zien.
Ik lig op bed en rook mijn pijp. Kringen wit
stuur ik de kamer in tot alle kleur egaal
verdwijnt. Verloren vrienden, vaderland,
vergeefs gepoogde huiselijkheid. De as gedoofd
rest mij een opgespannen mollenvel. De zonsopgang
is dikbewolkt, de cipressen antraciet mijn
blikveld kantelt vol verwachting open.


Dit gedicht is technisch knap in elkaar gezet, toont een aantal aspecten die het vakmanschap van de auteur zo kenmerken (zij geeft de vervreemding, de unheimlichkeit, bij wijze van bezwering heel strak vorm); dit gedicht is, als de hele bundel, redelijk geslaagd. Maar net als in de openingsalinea krijg ik de sensatie dat er iets tikt of kraakt, dat er zand in het raderwerk zit.

Het gedicht begint met die neutrale eerste zin, gevolgd door een sfeervol beeld: Ik lig op bed en rook mijn pijp. Hebben we hier te maken met een dichter die lekker op bed zijn of haar pijpje rookt? Of zitten we in een opiumkit?

Verder: Kringen wit / stuur ik de kamer in tot alle kleur egaal / verdwijnt. Een uitwerking van het opgeroepen beeld. Wijzer worden we niet. Dan een veelbetekenende zin: Verloren vrienden, vaderland, / vergeefs gepoogde huiselijkheid. Slauerhoff? Opgeroepen in aardige alliteraties, maar in die 'vergeefs gepoogde huiselijkheid' krijgt het ritme een duw. Hier stokt het gedicht. De as gedoofd / rest mij een opgespannen mollenvel. De pijp is leeg. Het mollenvel – opgespannen – staat voor? Ach, wist ik het maar. Achterin de bundel staat dat het gedicht is geïnspireerd op Van Gogh. Dat verklaart iets, maar wringen blijft het. De suggestie dat de hoofdpersoon wellicht Slauerhoff is, is met deze wetenschap onhoudbaar.

Of niet? Geen idee. Niet onvaardig loopt het gedicht nu naar zijn eind: De zonsopgang / is dikbewolkt, de cipressen antraciet mijn / blikveld kantelt vol verwachting open. Zoals gezegd, een aardig gedicht, niet onvaardig in elkaar gezet. Maar ik mis het zintuig om deze poëzie, die thema's behandelt die mij na aan het hart liggen, die in zijn 'vreemdheid' direct tot mij zou moeten spreken, ten volle te kunnen waarderen. Alsof de gedichten zélf, in hun dichtheid, of gewrongenheid, mij daarvan weerhouden. En hoe dit verder ook allemaal zij: soms kan de lezer zelfs met open ogen niet goed zien.


Recensent: CHRETIEN BREUKERS

Receptie – Vrouwkje Tuinman
Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam, 2007
ISBN 90 388 7459 6 - € 14,90
|