maandag, september 24, 2007

DE GROTE VERDWIJNTRUC - Onno Kosters



Lang geleden, in 1986, maakten Rob van Erkelens, Jack van der Weide en ik, de redactie van het Nijmeegse literaire tijdschrift Tristan, een studiereis naar Amsterdam, waar we contact hadden gelegd met broederredacties van Adem (in de persoon van Jan Kostwinder), Noord, waarvan ik niet meer wie in de redactie zaten en Spreek (dat een zeer uitgebreide redactie had, onder wie Jan Maarten van Dalen Buissant des Amories, René Huigen en Maarten Bijlenga, een jongen van ongeveer 2.10 meter met een enorm dichterlijke uitstraling).

Voor de avond was een gezamenlijke vergadering belegd. Wij, de redacties, zouden namelijk overgaan tot het veroveren van de literaire wereld. Dit zou niet geleidelijk gaan, nee nee, dit zou zijn beslag krijgen tijdens één literaire avond in W139 aan de Warmoesstraat, die wij optimistisch TANS-avond hadden gedoopt. TANS, van de eerste letters van alle tijdschriften. Viktor Nixdorf, nu vergeten maar toen een genie-in-wording, en een hele aardige jongen op de koop toe, bedacht de slagzin: ‘TANS begint de toekomst!’

Voorafgaand aan de vergaderavond die de Tans-avond mogelijk ging maken, waren wij, de jongens uit de provincie zeg maar, te gast op de zolder in de Pijp, die een aantal redactieleden van Spreek gezamenlijk bewoonde. Die zolder was, na zoveel jaren mag ik dat best eens zeggen, een enorme zwijnenstal, die middels gipsplaten of rieten schuttingmatten in een aantal hokjes was opgedeeld. Hij, de zolder, was verstoken van warm water en centrale verwarming. De wc was, middels een aantal niet eens manshoge planken, afgeschoten in de keuken, naast aanrecht en fornuis. Een douche was in deze setting uiteraard afwezig. In mijn herinnering hadden ze ook nog zeven katten, maar dat kan ik er achteraf best zelf bij hebben gefantaseerd. Wij, komend uit een wereld van stenen huizen, vaste vloerbedekking, inbouwkeukens, aparte badkamers en natte cellen, keken er nogal van op.

Maar goed, zo redeneerde ik in mijzelf, hier gebeurde het. Hier was de bloem der naties bezig met het smeden van snode, literaire plannen. Hier werden de gebeurtenissen uit toekomstige mémoires beleefd. Ondertussen worstelde ik mij door een bord 'nasi', mij vriendelijk door alweer een redacteur van Spreek aangereikt. Die 'nasi' kwam uit een grote pan, met deuken, en te oordelen naar de smaak had men dit rijstgerecht reeds drie dagen op het vuur warm weten te houden.

Aangezien de zolder – Godzijdank – helemaal bezet was die avond, zouden wij bij nog weer een ander redactielid te slapen worden gelegd. Dit redactielid, vertelde Jan Maarten Enzovoort, bewoonde een eigen etage in de buurt, had maar twee katten en was een briljant dichter en vertaler. Bovendien studeerde hij ook nog iets, maar ik ben vergeten wat. Ach ja, we studeerden allemaal wel wat, in die tijd. Hij heette Onno Kosters. Goede naam, dacht ik, voor een dichter en vertaler.

Jan Maarten reikte mij een nummer aan van Spreek, waarin gedichten van Kosters waren afgedrukt. ‘Dat wordt nooit wat,’ dacht ik toen – een gedachte waaraan ik nog redelijk vaak heb teruggedacht, de laatste jaren. Want na 1986 zweeg Kosters enige tijd, om eind jaren negentig weer met enige regelmaat her en der te gaan publiceren. En toen bleek het toch wel iets geworden te zijn.

In 2004 verscheen zijn eerste bundel, Callahan en andere gedaanten, waarover ik op deze website schreef: ‘Is er dan niets op deze bundel aan te merken? Natuurlijk wel, maar ik heb vandaag mijn vriendelijke bui en wil het laten bij deze positieve woorden. Omdat ik ze meen, en omdat ik vind dat de bundel meer aandacht verdient dan hij tot nu toe heeft gekregen.’ Mooie woorden, – zeker. Mooie woorden die ik nu kan bijstellen naar: ‘Is er dan niets op deze bundel aan te merken? Nee.’

Onlangs verscheen De grote verdwijntruc. Over deze bundel is van alles geschreven, van onzin (‘Kosters heeft iets in zich van de performing poet, maar op allerlei momenten blijkt hij zijn tekst helemaal niet zo direct aanspreekbaar te willen maken en juist ingewikkeld en gebroken te laten zijn; postmodern.’) tot de obligate vriendelijkheid (‘Deze gedichten nodigen je uit erin te verdwijnen.’).

Mij valt in deze bundel vooral op dat Kosters zijn métier in de loop van de afgelopen drie jaar nog beter is gaan beheersen, waarvan zijn krachtige, soms inderdaad gebroken maar nooit ‘postmoderne’ teksten getuigenis afleggen. Zijn werk is modern en heeft het patina van hele goede poëzie. Het is van deze tijd en klassiek. Het is verzameld, kortom, in een bundel om eens aan te schaffen. Helaas ben ik niet de aangewezen persoon om het boek te recenseren: vanwege Tristan, vanwege Spreek en vanwege die TANS-avond, die natuurlijk gruwelijk mislukte en waarover een journalist in het NRC een vernietigend stuk schreef (dat zou ons leren).

Wat ik wel kan doen is dit gedicht overschrijven:

Twaalf regels
(Elf regels)

Vul de straten met gaten, regel het scheepvaartverkeer
De verkeerde, de kant op,

schiet een ijskast naar het binnenste van de komeet,
schiet in eigen doel, schiet het voorbij.

Richt een pijl van water op een roos van licht.

Lever een pakbon zonder pak,
scheer je met een scalpel,
was je gezicht met schoensmeer.

Zet tussen de middag een ontbijt van chili con carne en ijs toe op tafel.

Onderbreek nu eenmaal voorgoed waar je mee bezig bent, maar niet
voor de vorm: voor je het laat
voor wat het werd.

Recensent: Chrétien Breukers

‘De grote verdwijntruc’ – Onno Kosters,
Uitgeverij Contact, Amsterdam, 2007
ISBN 978 90 254 0658 5 – € 16,90

Labels: ,

|