VOUWPLANNEN - Ruth Lasters

Onlangs debuteerde Ruth Lasters als dichter, met de bundel Vouwplannen. (Eerder schreef zij de roman Poolijs, die is bekroond met de Vlaamse Debuutprijs.)
Het openingsgedicht van Vouwplannen, ‘Hap’, is in meerdere opzichten indicatief voor de inhoudelijke aspecten van de bundel.
Omdat appels zo mooi stapelen wou ik er
stapelen onder je huid. Je benen, schedel, borst
vol appels, van die gele die vol vlekken en vol
builen. Slechts één rode, glanzende
volmaakte die zich tijdens het bewegen door je lijf
verplaatst. En dan te kunnen raden waar, in welke van je
ledematen hij precies verborgen zit, om telkens als ik
het juist gok hem eruit te halen, er
een hap uit nemen, nietig weliswaar maar maal oneindig maakt
onloochenbaar geschonden.
Feitelijk is dit gedicht niet meer, en niet minder, dan een idee voor een kunstwerk, dat het midden houdt tussen een live art performance en een installatie. Allicht is de idee niet uitvoerbaar, niet te realiseren, maar daarvoor is het tenslotte een idee. Tenzij... ja, natuurlijk!, de idee voor het kunstwerk is te verwezenlijken in een gedicht! In het gedicht heffen idee en uitvoering elkaar op.
‘Hap’ geeft ook al direct een belangrijk motief van Lasters’ werk prijs: de tegenstelling tussen het volmaakte/de idee en de concrete, gedegenereerde verschijningsvormen, of beter, het zoeken naar een volmaakt ding. Een volmaakte appel – zo die zou bestaan – is ook volledig, intact, gaaf. De ik neemt echter bij iedere lokalisering van de volmaakte appel er een hapje van. Een piepklein, minuscuul hapje slechts, maar genoeg om de appel aan te tasten, genoeg om de appel te laten ophouden volmaakt te zijn. En vele kleintjes maken één grote, dus weldra zal de voormalig-volmaakte appel zichtbaar en onherroepelijk sporen van afbraak vertonen.
De appel keert terug in het gedicht ‘Scheur’. In beide gedaanten: de ideale én de gedegenereerde. Ergens hopen of rekenen we erop ooit die ene, volmaakte appel (‘één onwijs gave appel’) aan te treffen. Deze zal ons doen beseffen dat we voordien slechts ‘appels-bij-benadering’ aten. Nemen we de ideale appel als maatstaf, dan verbleken alle andere exemplaren tot ‘zomaar-appels’, hoe mooi/sappig/rond/glad/fris ze ook geweest mogen zijn.
Het is allemaal heel erg waar. Logisch. Geen speld tussen te krijgen. Niet te weerleggen. A is A, en B is niet-A. En tegelijk, of juist daarom, zijn het filosofietjes-van-niks. Ja, als je van een geheel en al gave appel een hapje neemt (of: een reeks hapjes, maar dat komt kwalitatief op hetzelfde neer), is hij niet langer gaaf. Daar kun je een formule voor opstellen. En ja, een appel die niet volmaakt is kan de volmaaktheid hooguit benaderen.
Het is allemaal heel erg Plato voor beginners. Van deze wijsgeer is de theorie afkomstig dat er twee werelden zouden bestaan: de wereld zoals wij die kennen, met al haar fenomenen als tafels en stoelen, zwaarden en schilden, maar ook rechtvaardigheid, liefde, wijsheid en moed; en een wereld van de ideeën. De ideeën zijn eeuwig, onveranderlijk en volmaakt, de aardse fenomenen zijn daar slechts onvolmaakte – of eigenlijk: ronduit gebrekkige – afspiegelingen van, veranderlijk en vergankelijk. Sparta was in zijn ogen ‘de beste van de bestaande staten’ maar vergeleken met de ideale staat verregaand gedegenereerd.
Het lijkt mij dat Lasters een inleidend college filosofie heeft gevolgd en daarbij een en ander van Plato’s gedachtegoed heeft opgepikt. Zo opent het gedicht ‘Plan’ met de regels: ‘Het oervouwplan van alle dozen roven/ en de vaardigheid/ / uit de vingers van de dozenbouwers. Tot idee “doos”/ vervlakt tot plat karton waar niets in kan’. Hier haalt Lasters van alles door elkaar. Stel men zou het oervouwplan van alle dozen stelen, dan zou men niet langer in staat zijn dozen te vouwen. Waarom men ook de vaardigheid uit de vingers van de dozenbouwers zou moeten wegnemen is mij een raadsel, met het oervouwplan verdwijnt immers ook het vermogen dozen te produceren. Daarbij: hoezo vervlakt de idee ‘doos’ in dat geval ‘tot plat karton waar niets in kan’? Een idee is, zoals gezegd, eeuwig en onveranderlijk, zij kan in geen enkel opzicht veranderen: zij kan gevouwen noch vervlakt worden, gestapeld noch gescheurd, zij kan niet vergaan. Het zijn de individuele, aardse, concrete verschijningsvormen van de idee ‘doos’ die vervlakt zouden kunnen worden tot plat karton. Dan houd je het basismateriaal over, een soort ‘grondvorm’, een bouwpakket, waaruit je een doos zou kunnen vouwen. Zoals je een Ikea-kast kunt construeren uit een stel onderdelen plus handleiding. Het doet bij mij het vermoeden rijzen dat de dichter zich niet zou moeten inlaten met filosofie.
Natúúrlijk hoeft poëzie niet te kloppen, natúúrlijk mag zij wonderlijk en absurd zijn, en ongerijmdheden bevatten. Maar binnen de filosofie ontworpen (of uitgedragen) in een bundel, moeten de gedichten wel degelijk kloppen, anders moet de filosofie maar buiten de poëzie worden gehouden. Laat men haar toe, dan moet men consistent zijn. Binnen het kader van die filosofie moet men geen fouten maken.
Ook het gedicht ‘Trap’ bevat zo’n fout. Aan iemand (de lezer?) wordt opgedragen achter elke gevel een voorwerp of meubel te vermoeden. Hij mag het zich verbeelden, voorstellen, zonder zeker te zijn. ‘Maar weet waar precies een draaitrap/ staat, om er// telkens bij ontreddering een trede of spijl uit te/ stelen, hem in je kamer langzaam weer// op te bouwen. Bel me als hij af is. Iemand moet je erop/ naar boven, zijlings.’ Opnieuw een gedicht dat feitelijk de idee voor een kunstwerk presenteert, en wederom een mengeling tussen een live art performance en een installatie. En ook in dit geval is de idee niet (of nauwelijks) te verwezenlijken.
De opdracht is van iedere draaitrap één trede of spijl te nemen, en van al deze losse onderdelen een (volledig nieuwe) draaitrap te construeren. De formulering ‘hem in je kamer langzaam weer// op te bouwen’ kan echter niet anders betekenen dan: een specifieke draaitrap reconstrueren, zoals men een piramide steen voor steen zou kunnen afbreken en elders weer precies zo opbouwen. Dit is een mijns inziens grove fout; poëzie die zo nadrukkelijk filosofisch wil zijn, dient de begrippen zuiver te hanteren: dat is de absolute voorwaarde van iedere vorm van filosofie.
Een dichter met dergelijke filosofische strevingen maakt nieuwsgierig naar poëticale uitspraken van die dichter. Zo liet Lasters zich in De Morgen van afgelopen 10 oktober ontvallen: ‘Ik hou niet van hermetisme. (...) Zelf wil ik echte, concrete literatuur schrijven, die mensen bereikt en ontroert.’ En in een interview ruim twee jaar eerder (27 augustus 2005), gepubliceerd op de Contrabas-site, over haar favoriete dichters: ‘Alle dichters die vaak gedichten bouwen met bijna uitsluitend kernwoorden. Met termen die in één splitseconde, bijna zonder omweg langs het bewustzijn, naar een basisbegrip verwijzen zoals bijvoorbeeld: bal, tuin, tak, rood, raam, huis. (...) Ik heb het niet zo begrepen – al vergrijp ik er mij zelf wel eens aan – op “luie” woorden zoals liefde, dood, gemis.’
Nu is het waar dat de titels van de gedichten in Vouwplannen louter bestaan uit één ‘kernwoord’, als het ware trefwoorden of steekwoorden, sleutelwoorden. Alle 39 titels van de gedichten worden gevormd door één enkel woord, en in 34 gevallen is dit een zelfstandig naamwoord: sec, neutraal. De door haar genoemde voorbeelden ‘Tak’ en ‘Raam’ zijn daadwerkelijke titels van gedichten uit haar bundel.
Maar voorbeelden van de zgn. ‘luie’ woorden zijn er te over: ‘Vermoedens zijn// oefenverlangens’ (‘Trap’); ‘het verlangen’ en ‘schend waarheid’ (‘Minst’); ‘volmaakt/ geluk’ en ‘streven naar/ onvolkomenheid’ (‘Voetbal’); ‘zelfbewust mijn stilstand’ (‘Actie’); ‘al je angsten en verlangens’ (‘Hardloper’); ‘onvoorspelbaarheid’ (‘Kans’); ‘volslagen onbeminde’ en ‘betekenisloos’ (‘Collecte’); ‘gefluister van lichtjaren ver’ (‘Kralen’); ‘roerloosheid’, ‘vrij van tragiek’ en ‘benijdbaar’ (‘Rat’); ‘verlies’ (‘Kraaien’); ‘één heerlijke// hardnekkigheid’ (‘Verder’); ‘hoe zoiets nietigs hun/ ontredderend ontbrak’ (‘Tulp’); ‘angst’ (‘Bezoek’); ‘Onverdraaglijk zou ik het vinden/ dat je ons uit gemakzucht gewoon/ herinnert’ (‘Co’); en ‘teder dat dan kabbelt tot onwezenlijk/ wreed’ (‘Park’).
Het gaat mij er hier niet om Lasters op een tegenspraak te betrappen tussen poëticale uitspraken enerzijds, en haar daadwerkelijke poëzie anderzijds; haar uitlatingen hoeven wat mij betreft haar poëtica niet adequaat weer te geven. Het is alleen jammer voor haar poëzie dat zij niet meer in overeenstemming is met wat Lasters links en rechts over haar beweert. Dit is namelijk precies een van de bezwaren die ik tegen haar gedichten koester: zij zijn mij te wéínig concreet.
Daarbij ervaar ik enige van haar trucs (‘stijlmiddelen’, zou ik zeggen, als ik iets welwillender was geweest) als storend. Herhaaldelijk maakt zij gebruik van een afbreking (mijns inziens volkomen ongemotiveerd, volstrekt willekeurig) én witregel in één, waardoor het desbetreffende woord – in tweeën gesplitst en de uiteenvallende delen ook nog eens een regel van elkaar gescheiden – wel erg veel nadruk krijgt, zonder dat hier een reden voor lijkt te zijn: ‘in/ je opgeraapt als okker-// noten in een schort’ (‘Actie’); ‘alle zomaar-// appels waar je jarenlang over gevreten had’ (‘Scheur’); ‘tot op een schap terecht-// staand voor een tribunaal van stof’ (‘Dwang’); ‘voor elke niet-// aanraking’ (‘Zaal’). Hieraan valt toe te voegen dat Lasters enkele lelijke, vreemde en wederom volkomen arbitraire afbrekingen aanbrengt, waarbij zij een woord niet eens laat uiteenvallen in zijn samenstellende delen, maar het woord ‘zomaar ergens’ doormidden lijkt te hakken: ‘kersenmar-/ melade’ (‘Kersen’) en ‘Se-// attle’ (‘Co’). In al deze gevallen niet functioneel, onnodig en overbodig.
Ook het weglaten van woorden (suggestie!) en het door elkaar husselen van woorden (eigenaardige volgorde!) verworden al snel tot een al te opzichtig trucje. Ten slotte legt Lasters een onverklaarbare voorliefde voor de Duitse komma (de schuine streep) aan de dag: maar liefst tien keer gebruikt zij dit leesteken, een geval van overdaad als je het mij vraagt.
Toch dient gezegd: Ruth Lasters kán dichten, zij is vaardig, verstaat haar vak, dicht in een eigenzinnige en gedurfde stijl. Ik vang daar een glimp van op. Maar de storende elementen overheersen. Zij wil te zeer filosoferen. En zij wil te zeer ideeën voor kunstwerken presenteren, in een poëtisch jasje gestoken. Niet alleen de gedichten ‘Hap’ en ‘Trap’ zijn voorbeelden van dit laatste, ook ‘Kersen’, ‘Doorgang’, ‘Actie’, ‘Rug’, ‘Eis’, ‘Herverdeling’, Tulp’, ‘Zaal’ en ‘Park’ behoren tot deze categorie. Een speels, fantasierijk idee voor een kunstwerk levert nog niet noodzakelijkerwijs een goed gedicht op. Voor je het weet haalt iemand het in zijn (of haar) hoofd een gedicht te schrijven over gras dat in pakweg een blauwe theepot apart is gezet, te midden van het groeiend en doorlevend gras.
Recensent: Willem Thies
Vouwplannen - Ruth Lasters
Meulenhoff/Manteau, Amsterdam/Antwerpen, 2007
ISBN: 9789085420804 - €18,95







